Nieuwe buurt, nieuwe vrienden?

Edith tipt me om in een bejaardentehuis te gaan biljarten, om wat vrienden te maken in mijn nieuwe buurt, maar ik ben duidelijk niet welkom bij de oude knarren. Ik probeer het biljarten later nog in een café, maar daar kost het zeven gulden per halfuur. Met gebogen hoofd loop ik het café weer uit. Dan houd ik het maar bij het vissen. Aan de waterkant zie ik een paar mensen vissen. Maar nog voordat ik bij de eerste visser kom, begint hij te vloeken: “Rot op!”

Heeft hij het nu tegen mij of zit hij in zichzelf te vloeken? Ik loop voorzichtig, dus de vissen kan ik niet verstoren.

Hij dreigt: “Moet ik je effe van de waterkant aftrappen?”

Ik zeg niets, maar ga dichterbij staan met een grote glimlach. Dan zie ik de twijfel in zijn ogen; ik ben nog jong en hij staat al met één poot in zijn kist. Het is doodstil. Ik loop rustig weg en ga naar de volgende visser toe. Ik zeg niets, ik kijk alleen maar. “Dat ging nog maar net goed daar, geloof ik.”

“Ik ben hier sinds een paar maanden komen wonen. Ik vis en biljart graag. Wat voor vis zit hier?”

“Je bent toch geen karpervisser, hè? Aan karpervissers hebben wij een hekel, het zijn een stelletje idioten.”

Ik wens hem maar een prettige dag en loop verder. De Rotterdammers die ik ken zijn gastvrije en vriendelijke mensen, maar hier in Hillegersberg is het een heel ander volk.

Dan krijgen we een nieuwe buurman. Bij de eerste gelegenheid stellen wij ons netjes voor. Het verloopt allemaal goed, totdat Edith ineens hijgend naar binnenkomt en zegt dat hij haar heeft bedreigd. Ik ren meteen naar beneden en klop op zijn deur. De deur gaat open en in zijn ogen zie meteen dat hij drugs gebruikt. Hij bedreigt me en ik nodig hem uit om waar te maken wat hij belooft. Met een harde knal gooit hij de deur dicht.

Een paar dagen later hoor ik gehuil, het is zijn vriendin die hij slaat. Daarna staan er ook schuldeisers aan de deur, waarvoor hij zich verstopt.

Na een paar dagen hoor ik zelfs het café op de hoek. Het is zeker acht deuren verder, maar het lijkt net of de muziek uit mijn huis komt. Ik ga eropaf en vraag of het niet wat zachter kan.

“Bel de politie maar,” is het antwoord. Dat doe ik ook. Ze komen langs, maar doen niets. Nu heb ik het wel gehad, ik wil weg hier. Ik heb zo’n heimwee naar mijn eigen buurt. Ik krijg er ruzie over met Edith, maar mijn besluit staat al vast.

Als ik weer bij ma kom, vraagt ze: “Wat zie jij er slecht uit, gaat het wel goed met je?”

“Ja, het gaat wel.”

“Ik ben je moeder, je denkt toch zeker niet dat ik gek ben? Hup, voor de draad ermee.”

Dan vertel ik haar wat er allemaal gebeurd is. Ze staat op en zegt: “Ik heb ruimte zat, je kan zo boven komen slapen en wonen.”

“Ma, ik vind het heel lief van u, maar ik weet nu al dat Edith dat niet gaat doen.”

Op een dag hoor ik weer hoe de buurman zijn vriendin slaat. Ik klop aan en hij doet open en haalt een pistool tevoorschijn. Mijn hart klopt in mijn keel, maar ik bluf en hij gooit de deur dicht. Edith wil aangifte doen, maar voordat de politie actie kan ondernemen, is hij ineens weg. Volgens Edith zit hij in de afkickkliniek. We zien hem drie maanden niet. Wat een rust.

De drang om weer naar Schiedam te gaan wordt steeds groter. Maar Edith zit vlak voor haar toelatingsexamen voor Sociaal Pedagogische Hulpverlening en dit kan ze er niet bij hebben. Toch zet ik haar voor het blok. Ik ga naar ma, neem mijn spullen mee en laat me inschrijven voor een huis. Na drie maanden wachten vinden we een flat op de Van Haarenlaan. Ik slaak een zucht van verlichting, maar Edith ziet op tegen de verhuizing tijdens haar examen.

Die zaterdag ben ik druk bezig om het huis aan kant te krijgen. Met het aansluiten van de gaskachel en het aanleggen van elektriciteit krijg ik hulp. Daar heb ik echt geen bal verstand van, het geeft mij weer z’n lekker dom gevoel. Schuren en verven moet ik zelf doen. Het is zwaar, ik heb last van mijn rug. Het bukken gaat mij moeilijk af en op mijn knieën kan ik niet, omdat mijn rechter knie kapot is. Dit maakt dat gevoel nog erger. Intussen slaap ik bij ma en in het weekend komt Edith bij mij slapen.

Als ik laat op bed lig mis ik Edith en pieker over de situatie waar ik nu in zit. Ik hoop dat het gauw achter de rug is. Ze is nog steeds niet blij en dat laat ze weten ook. Over een paar weken wil ik de spullen verhuizen. Ondertussen is Edith in onderhandeling met de huisbaas. Ze heeft veel verbouwd en vraagt daar overnamegeld voor. Als hij het niet doet, gaat het eruit en mee met de verhuizing. Hij heeft al veel overgenomen, alleen de keuken wil hij niet. Dan gaat die met ons mee, Edith is daar zeer stellig over. Ze vraagt aan mijn zwager of hij nog een oud keukenblokje heeft. Hij heeft er wel één, maar dat is zo gammel als wat. Het maakt Edith niet uit, er stond toch al een gammel kastje. Na een poosje komt de huisbaas langs. Edith geeft hem een rondleiding door het huis. Alles vindt hij best, behalve de keuken.

“Had ik dat maar geweten. Waarom heb je alles eruit gesloopt?”

“Jij wilde hem niet overnemen,” snoert Edith hem de mond.

Het was bekend dat het huis een krot was toen Edith erin trok. Ik moet wel lachen om hoe Edith het aanpakt.

Weer in Schiedam ga ik meteen naar de Van Haarenlaan om verder te schuren. Na een paar uur ga ik even rusten op de enige stoel die er staat. Binnenkort moet Edith beginnen aan haar opleiding. Vandaar dat we hebben besloten om de slaapkamer als laatste te verhuizen, anders is ze te lang onderweg met het openbaar vervoer. Ik weet nog goed toen ze aan mij vroeg wat ik ervan zou vinden, als ze een HBO-studie zou gaan doen. Ik was stomverbaasd, maar ook heel trots op haar en heb beloofd haar te helpen waar ik kan. Schoonmaken, eten maken, het maak mij niet uit.

Aan de andere kant krijg ik het er ook benauwd van: zij gaat verder met haar ontwikkeling en ik blijf achter. Als ik niet oppas wordt de kloof te groot en raak ik haar nog kwijt. Ik wou dat ik ook zo goed kon leren. Zeker als ze klaagt dat zij zo moet blokken om het voor elkaar te krijgen. Wat zou ik graag kunnen blokken. Elke keer komt ze er met dikke cijfers door.

Ik word weer bij zinnen gebracht door het nieuws van drie uur op de radio. Ik ga maar snel weer aan het werk. Laat in de avond wanneer het te donker is om nog wat te zien, ga ik gesloopt naar ma. In bed komen weer diezelfde gedachtes. Ik zit zonder werk, heb geen opleiding en door mijn slechte taal en rekenen kan ik ook geen opleiding volgen. Ma, broers en zussen beweren dat ik er altijd mijn pet naar heb gegooid, maar dat is niet waar. Ik wil juist graag, maar het lukt gewoon niet. Misschien moet ik mij maar weer eens goed laten onderzoeken, er moet toch wat te vinden zijn? Als ik Edith zie, wil ik er met haar over praten, als ze er maar niet achter komt dat ik niet goed kan lezen en schrijven. Dan kan ik zeker inpakken, want dan heeft ze nog meer het gevoel dat ze alles alleen moet doen.

Ik voel iets over mijn wangen rollen, mijn mond in, en het smaakt zout. Alles wat ik doe mislukt. Mijn concentratie is ook al zwaar knudde. Als ik met iemand zit te praten, kan ik er niet eens bij blijven. Dan zit ik alweer met mijn gedachten ergens anders en weet vaak niet meer waar het over gaat. Ik durf dat nooit te zeggen, maar ik zie dat ze het doorhebben.

Weer om hulp vragen zie ik niet zitten. Ik heb zoveel ervaring met hulp en het dagverblijf: wat heeft het me gebracht? Hooguit een adempauze en op het eind donderstraal je toch weer in een diepe put. Maar dit kan ook niet langer zo doorgaan.

Ik vind dat wegdromen wel het ergst van alles, het is de laatste tijd heel erg geworden. Daardoor peins ik ook veel over het leven en het einde, tot ik er bijna gek van word. Het is zelfs zo erg, dat ik mijn bed als een doodskist zie. Ik lig te piekeren tot ik het licht zie worden. De mensen komen naar buiten om naar hun werk te gaan. Ik vraag me af of het nu toch zo ver is gekomen dat ik gek ben geworden.

Deel deze pagina

Een gedachte over “Nieuwe buurt, nieuwe vrienden?”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.