Magnetiseur Bram

Mijn oom en tante waren jaren bezig om een kind te krijgen. Het liep altijd op een miskraam uit. Oom heeft toen een magnetiseur verteld over hun verdriet. Hij besloot hen te helpen en heeft bij mijn tante een handoplegging uitgevoerd. Later werd mijn neef geboren, helemaal gezond en een fijne knul.

Het moet bijzonder zijn om zo’n magnetiseur te kennen. Ik vertel Edith dat ik ook met iemand wil praten over mijn vreemde ervaringen. Binnen een week komt ze met een advertentie uit de krant: “Dit lijkt me een goede, zullen we een afspraak maken?”

Ik hoop dat het geen oplichter is, want die heb je bij bosjes. Een reus van een man met een volle zwarte baard doet de deur open. “Ik ben Bram de magnetiseur. Wat verwacht je van me?”

“Ik zit klem en kom er niet uit, ik hoop dat u mij kan helpen.”

Ik moet op een behandeltafel liggen en hij houdt zijn handen boven mijn hoofd. Dan legt hij zijn handpalmen op mijn ogen en begint te drukken. Ik zie sterretjes.

“Even volhouden,” zegt hij, “als ik mijn handen weghaal wil ik weten wat je ziet.”

“Eerst zie ik blauw, voor de rest niets,” zeg ik.

Hij gaat verder en maakt bewegingen met zijn handen. Ik voel me helemaal tot rust komen, vervolgens begint hij op verschillende plaatsen te drukken. Na een halfuurtje is hij klaar en mag ik rechtop zitten.

“Een mens heeft een bewustzijn en een onderbewustzijn. Het grootste gedeelte van onze hersenen gebruiken wij niet. Hoeveel denk je dat jij gebruikt?”

Het lezen en schrijven schiet door mijn hoofd, dus moet het moet bij mij wel minder zijn. Ik bloos en zeg: “Ik zal wel wat minder gebruiken dan normaal.”

Hij stelt dezelfde vraag nog een paar keer, maar ik begrijp hem niet.

“Ik ga het je anders uitleggen, een mens is twintig procent bewust en tachtig procent onbewust, en jij?”

Weer zeg ik stug “Iets minder.”

“Nee, jij gebruikt juist veel meer van je onbewuste, maar dat geloof jij niet. Wat schaamde jij je voor de blo. En maar spijbelen! Ik begrijp het wel, maar jij hoeft je niet te schamen. Je onderschat jezelf, Koos. Mensen zoals jij zijn er niet veel.”

Hoe weet hij het nou van de blo? Ik voel geluk maar er komt ook verdriet boven. Dat verdriet stop ik meteen weer weg, nu wil ik alleen genieten van wat er is gebeurd en van de behandeling die ik heb gehad.

Bram gaat verder: “Ik kom wel eens in klinieken waar mensen opgesloten zitten. Ik word wel eens gevraagd of ik kan helpen met een patiënt die dingen ziet. Soms zijn ze begaafd en sterk. Dan help ik ze op weg en leren ze op eigen benen staan. De rest moeten ze zelf doen. Jou wil ik ook op weg helpen. Kom, dan gaan we naar de huiskamer.”

Binnen kijkt hij naar Edith en zegt: “Kom jij ook maar, jij ben er ook wel aan toe.”

Bram is lange tijd de enige met wie ik echt contact heb. Met andere mensen kan ik niet praten; ze begrijpen me niet. Maar Bram wil me niet te veel informatie geven over mijn onderbewuste gaven, want ik zou het niet kunnen verwerken. Hij doet het voor en inderdaad zie ik wel zijn mond bewegen, maar ik hoor hem niet meer – ik haak af. Bram voorspelt me: “Edith en jij groeien uit elkaar. Er gebeurt wat met je, Edith kan er niet meer tegen en gaat weg.” Ik geloof het niet.

Uiteindelijk krijg ik het telefoonnummer van Han, met de woorden: “Ga maar op onderzoek uit, maar denk er om, wel met het licht aan.”

Ik snap niet wat hij bedoelt met ‘het licht aan’.

Han vertelt me dat er vele manieren zijn om jezelf te leren kennen en te doorgronden. Hij leert me over zenmeditatie en we raken bevriend.

Op mijn werk bij de reinigingsdienst krijg ik last van mijn ellebogen. De bedrijfsarts probeert me te dwingen te werken, maar met hulp van de rechtswinkel krijg ik een formele keuring. Ik word voor tachtig tot honderd procent afgekeurd. De rechtswinkel feliciteert me met de overwinning, maar ik heb een dubbel gevoel. Ik heb gewonnen, maar wat ga ik nu in godsnaam doen?

Het enige waar ik nog behoefte aan heb, is in bed blijven liggen. Mijn hoofd deed het al niet en nu doet mijn lijf het ook niet meer. Het is niet meer in te houden, de tranen blijven komen en ik schreeuw mijn keel schor. Zo lig ik maanden in bed zonder contact met mijn omgeving. Alleen voor Katrien ga ik nog de deur uit, verder kijk ik tv. Met Edith praat ik nauwelijks, ze snapt het toch niet. Ik voel me niets waard, nutteloos en goed voor de goot. Er gebeurt ook iets met mijn gezicht: de groeven trekken erin. Mijn knappe gezicht verandert in korte tijd in een triest oudemannengezicht.

Een jaar later zitten we aan tafel als Edith tussen neus en lippen zegt: “Koos, voordat we met borden gaan smijten is het beter als ik op mezelf ga wonen. Ik kan je niet bereiken en je vertelt me niet wat er aan de hand is.”

“Waarom?” zeg ik dof, alsof het over de boodschappen gaat.

Edith heeft genoeg van de situatie, zegt ze. Ze kan er niet meer tegen. Ik sluit me af voor alles en iedereen, dus ik praat ook niet met haar.

Na een paar maanden heeft ze een woning in Rotterdam. Iedereen helpt met verhuizen. Ze komt nog wel regelmatig op bezoek, want ze wil me wel in de gaten houden. Maar iedere keer als ik haar weer naar huis zie fietsen, breekt mijn hart. Katrien snapt het ook niet. Nu besef ik dat ik echt alles verloren heb. Wat moet ik doen?

Soms ga ik naar ma om steun te zoeken, maar daar vind ik het niet. Zij ziet ook wel dat er wat met me aan de hand is, maar ze laat me maar sudderen. Ik moet het zelf maar oplossen.

Zal ik Bram bellen, al heb ik al een tijd geen contact meer met hem? Maar ik bel hem niet. Wel maak ik een afspraak met de huisarts. Hij zegt: “Ik verwijs je naar een kliniek, anders loopt het niet goed met jou af. Ik wil echt dat je gaat.”

Ik knik. Ineens heb ik een enorme behoefte om alles te vertellen: hoe dom ik ben en dat ik bijna niet kan lezen en schrijven. Nog net op tijd slik ik het in. Ik krijg een verwijsbriefje voor geestelijke hulp in de dagbehandeling. Na een paar weken krijg ik te horen dat de individuele gesprekken positief zijn en dat ik voor groepsbehandeling terecht kan. Ze delen me in bij een groep mensen die geen conflicten aangaan, want dat is mijn probleem, zeggen ze.

Niets te verliezen en toch ben ik misselijk van de zenuwen als ik de eerste keer naar de groep ga. Ik ga nu officieel naar een psychiatrisch dagverblijf. Eenmaal binnen heb ik een kort gesprek met de psychiater. Een psycholoog stelt me aan de groep voor. Daar sta ik dan midden in een ruimte als een supergrote woonkamer die gevuld lijkt met honderd patiënten. Ik schaam me kapot. Met een trillende stem stel ik me voor. Dan mag ik eindelijk opgaan in de menigte. Ineens loopt iedereen de kamer uit en ik blijf achter in een grote lege ruimte. Een jongen stapt binnen: “Je zit bij mij in de groep. We hebben nu psychodrama, een soort toneel,” legt hij uit.

Er staan blokken, klimattributen en speeltoestellen.

“Gaan we gymmen?”

De therapeute antwoordt: “Nee, we gaan een rollenspel doen.”

Ik merk dat de gespeelde situaties zo levensecht zijn, dat het me emotioneel maakt. Ik voel verbondenheid met alle patiënten want het wordt me duidelijk dat we in hetzelfde schuitje zitten. Na een paar weken ben ik aan de beurt, maar ik neem me voor om het lezen en schrijven onder geen enkele voorwaarde te bespreken.

“Koos wat is jouw probleem?” vraagt de therapeute.

“Ik kan niet slapen.”

Er volgen allemaal vragen van de groep en van de therapeute. Dit is doodeng, een paniekaanval weet ik nog net te onderdrukken. Vervolgens speelt de groep mijn situatie na. Doordat ik de groep moet instrueren en analyseren krijg ik een griezelig levensecht beeld van mijn situatie thuis bij ma. In de verbeelding van de groep zie ik van buitenaf wat er gebeurt en kan ik eindelijk bij de gevoelens die het bij me teweeg brengt. Het voelt heel dubbel: ik word in de steek gelaten en niet begrepen, mensen luisteren niet goed naar me. Maar ook blijkt dat ik zelf een factor ben. Ik geef niet goed aan wat ik voel en wat ik nodig heb. De therapeute grijpt in op het moment dat het teveel wordt. Dit is een heel ander beeld dan wat ik had van de situatie.

Eerst wil ik er niet aan, maar de ze zegt: “Zo is het echt. Je moet eerlijk naar jezelf kijken en dat is best moeilijk. Denk erover na, dan ga je stukje bij beetje leren om op een andere manier naar jezelf te kijken. Wat doe je, wat is je rol, welke informatie geef jij je omgeving en laat je ze weten waar je mee bezig bent?”

Ik ben er niet zo blij mee, ben ik hier wel aan toe? Ik krijg de opdracht om mijn dag- en nachtritme weer in orde te brengen. Ik mag overdags niet meer slapen. De aangeboden slaapmedicatie sla ik af. Thuis ga ik in bad liggen en huil. Mijn kwetsbaarheid voelt als een gevangenis. Ik hoor ma: “Een vent mag niet huilen. Inslikken en doorgaan, daar word je hard van.”

Ik kijk altijd vol verlangen naar Edith als ze komt, maar ik laat haar zo veel mogelijk met rust. Het risico dat ik de boel ga forceren is te groot en dan raak ik haar zeker kwijt. Telkens als ze op haar fiets naar Rotterdam gaat, scheurt er in mijn hart iets kapot. Ook Katrien zit bij de deur niet-begrijpend te kijken dat ze weer weg is. Ik roep haar dan bij me en kroel met haar, totdat ze het zelf genoeg vindt, in haar mand gaat liggen en met een diepe zucht in slaap valt.

Soms word ik met tranende ogen wakker, dan ga ik even in bad liggen. Water geeft me kracht. Ik voel dan de spanningen en het verdriet langzaam wegebben. Is dit nu zelfmedelijden? Maar op een gegeven moment kun je niet dieper zinken. Dan kun je alleen nog maar omhoog.

Het valt me zwaar om vroeg op te staan, want ik ga nog steeds veel te laat naar bed. Ik heb allerlei gedachten en smoezen om niet naar het dagverblijf te hoeven gaan. Toch slaag ik er uiteindelijk in om mijn bed op tijd uit te komen. Ruim op tijd arriveer ik bij de groep. We hebben RET: rationeel-emotieve therapie. De psycholoog vraagt of iemand een probleem op tafel wil leggen. Er valt een doodse stilte. Dan vraagt hij: “Koos, waar zou jij over willen praten met de groep?” Het is de bedoeling dat ik een probleem bespreek waar ik niet mee om kan gaan.

“Ik ben voor tachtig tot honderd procent afgekeurd, mijn relatie is kapot, het voelt alsof ik in de goot lig.”

“Je wil het dus gelijk maar allemaal oplossen, zodat je weer naar huis kan. Laten we dat maar even niet doen. Stapje voor stapje.”

“Leg me dan uit hoe het werkt.”

“Oké, je staat voor een stoplicht. Wat roept dat bij jou op?”

“Dat het lang duurt voor hij op groen gaat en bij geen verkeer steek ik toch over.”

“Is dat rationeel of emotioneel?”

“Rationeel,” vind ik.

“Wie gaat met Koos mee?”

Een paar gaan met mij mee, het grootste gedeelte niet.

Hij zegt: “Je steekt over zonder te kijken en met een harde klap lig je op de motorkap die er eerst niet was. Je belandt in het ziekenhuis. Hoe lang duurt het voor een stoplicht op groen gaat?”

“Dat weet ik niet. Ik denk een minuut of vijf,” antwoord ik als ik mijn schouders ophaal.

“Twee minuten. Maximaal. Is dat het waard om je leven te riskeren?”

“Nee,” mompel ik.

“Dus als jij voor twee minuten je leven in de waagschaal legt, is dat een rationele keuze of een irrationele keuze?”

“Irrationeel. Het is een emotie,” begrijp ik nu. Ik ben dus geneigd om vanuit emotie te handelen. Vanaf dat moment herken ik of ik iets doe vanuit een emotie of vanuit een rationele overweging. Het is vanuit emotie dat ik op mijn bed wil blijven liggen, de gordijnen dicht wil houden en niet gezien wil worden. Daar kan ik wat aan doen: gordijnen open, op tijd mijn bed uit en volhouden.

Gaandeweg ga ik me steeds meer thuis voelen in het dagverblijf. De groepsbespreking duurt lang, omdat er onderling spanningen zijn, terwijl er niets bijzonders aan de hand is. Juist omdat de meesten niet uit zichzelf praten en moeite met conflicten hebben, maken ze makkelijk ruzie. Het hoort bij de therapie dat je zegt wat je wel en niet leuk vindt van mensen. Een paar zijn erg bedreven in het niet leuk vinden van elkaar. Door de begeleider erbij wordt het op een goede manier uitgesproken, maar ik vind het saai. Zolang ze mij met rust laten, vind ik het best. Dat doen ze ook: ze laten me gewoon zijn wie ik ben.

Op alle fronten boek ik vooruitgang. Toch willen ze me aan de medicijnen hebben. Ze vinden dat als je in dagbehandeling bent, medicijnen nodig hebt. Maar daar gaat de psychiater over. Na één gesprek vindt hij het gelukkig al onzin: geen medicijnen voor mij.

Teun, een reus van een kerel met zwart haar en donkere ogen, geeft handenarbeid. Ik mag tekeningen maken met houtskool. Ze moeten een gevoel weergeven. Ik doe maar wat en teken een paar losse bladeren die in de lucht zweven door de wind. Maar Teun kan tekeningen lezen: “Je ziet bij jou met die bladeren dat je heel erg onrustig bent. Die bladeren zijn je gevoelens waar je niet uit kan komen. Je hebt er geen controle over, vandaar dat ze zweven.”

“Heb jij wel eens met ecoline gewerkt?” vraagt hij dan.

In een bakje water moet ik wat ecoline druppelen. Het vormt een filmpje over het water en vloeit uit in de mooiste vormen. Met verschillende kleuren druppel ik ecoline en dan leg ik er snel een stuk papier op. Als ik even wacht en het papier voorzichtig eraf trek, heb ik een verrassend mooie figuur gemaakt. Ik voel precies aan hoe ik het moet timen. Ik zie er allerlei dingen in, soms vogels. Zelfs Teun is onder de indruk: “Dat hoort echt bij jou, Koos.”

Ik vertel Edith over mijn ervaring met de ecoline.

“Zal ik eens kijken of ik wat voor je kan vinden? Ik weet nog wel een paar groothandels.”

Ze komt terug met een hoop verschillende kleuren en papier om mee te werken. Iedere keer dat ik een afbeelding heb gemaakt is het weer een plezierige verrassing. Zou het kunnen dat er toch dingen zijn waar ik goed in ben?

Ik heb nu wat regelmaat in mijn leven, alleen al door de dagopvang waar ik elke ochtend voor op moet staan. Ik mag hier zijn wie ik ben en ik hoef geen medicijnen. En nu maak ik ook nog mooie platen met ecoline.

Ook Han, die ik via Bram ken, raakt geboeid door de ecoline en vraagt of ik wat werken wil laten zien. Hij is er weg van: “Zou ik dit ook kunnen?”

We spreken af bij mij thuis. Ik heb een groot ligbad op zolder dat dient als waterbak. Ik heb het reuze naar mijn zin. Het schilderen met Han is een mooie ontdekkingsreis. We experimenteren met hoe lang je moet wachten en proberen steeds vreemdere dingen uit. We bewegen het blad op het water, soms werkt het en soms niet.

Op een dag komt Teun naar me toe: “Koos, de directeur is geweest. Hij zoekt een kunstwerk en hij kan niets vinden, want hij vindt alles zo depressief. Ik heb over jou gesproken en toen heb ik hem werk van jou laten zien. Nu is hij helemaal verliefd op je werk geworden, met name die grote. Hij wil het van je kopen.”

Ik vind dat schilderij zelf ook wel mooi. “Ja, maar ik ben geen kunstenaar! Ik word er alleen gelukkig van. Wat moet ik nou vragen voor een velletje papier met ecoline erop?”

“Niet zo minachtend over jezelf! Je hebt er heel lang aan gewerkt.”

Ik sta er echt van te trillen. Uiteindelijk krijg ik er tweehonderd gulden voor.

Han geeft me boeken over Zen, maar ik zeg eerlijk dat ik niet goed ben in begrijpend lezen en dat er voor mij te veel moeilijke woorden in staan. Wat ik niet snap, mag ik aan hem vragen, zegt hij dan.

Ik lees over een oude monnik die al zijn hele leven in het klooster zit. Hij had al die tijd naar verlichting gezocht. Terwijl hij de vloer veegt, realiseert hij zich dat hij nooit verlicht zal raken. Dan springt er door het vegen een steentje precies tegen de steel van de bezem. Op dat moment raakt hij verlicht. Komt dat doordat hij het heeft losgelaten of komt het door het geluid dat het steentje tegen zijn bezemsteel maakt? Te veel verlangen naar iets zorgt dat het buiten je bereik blijft. Als je dat jaren volhoudt, bouw je spanning op en juist daardoor gebeurt het niet. Op een gegeven moment denk je: het gaat toch nooit meer lukken. Dan laat je het los uit je systeem en neem je er afstand van. En dat is nou precies wat nodig is om het te laten gebeuren.

Han geeft me ook opdrachten. De eerste opdracht is: hoe versla je je vijand? Na een week weet ik het nog niet. Als ik bij hem terug ben, stelt hij de vraag weer. Ik laat alles los omdat ik het niet weet en kom tot volledige ontspanning. Tot mijn verrassing valt er zomaar een antwoord uit mijn mond: “Door hem tot vriend te maken.”

Hij lacht: “Hoe ben je daarachter gekomen?”

“Ik heb over alles nagedacht, maar ik kon er niet achter komen. Ik was zo gefocust dat ik het niet zag. Daarnet gaf ik het op en liet ik het los, daardoor creëer ik ruimte. En ineens valt het gewoon uit mijn mond.”

Daarna moet ik een kaars aansteken en ernaar kijken. Verbaasd vertel ik dat ik als kleine jongen dat al heel vaak gedaan heb. Nu is hij onder de indruk: “Wat bewoog je om dat te doen?”

“Ik sliep vaak onrustig en werd dan wakker. Dan ging ik naar beneden en stak een kaars aan.”

“Wacht even, terug naar je bed. Wat voel je en waarom?”

“Angst. Ik ben zo bang dat ik niet meer in mijn bed wil blijven.”

“Ben je dan alleen?”

“Nee, mijn broers en zussen slapen nog.”

“Waarom maak je ze niet wakker?”

“Dan vinden ze mij een angsthaas, dat nooit! Daarom ga ik naar beneden waar mijn vader en moeder slapen. Omdat ik me niet helemaal op mijn gemak voel in het donker, steek ik een kaars aan.”

“Wat is je eerste gevoel als je dat gedaan hebt?”

“Ik voel me tot rust komen, omdat de sfeer in de woonkamer goed is en ik mij beschermd voel. Ik ga zitten kijken naar het vlammetje. Na tien minuten word ik wakker met een schok. Wat er in die tijd is gebeurd weet ik niet, alleen dat ik mooie kleuren in de vlam heb gezien en mijn gedachten tot rust kwamen.”

“Ik ben erg benieuwd wat er nu met je gebeurt, als je het weer gaat doen.”

De opdracht roept herinneringen en heftige emoties op, het duurt een paar dagen voordat het weer ophoudt. Ik merk dat het vlammetje soms groter en soms kleiner wordt en ook van kleur verandert. Als ik na het staren ergens anders naar kijk, zie ik het beeld van de kaars nabranden.

De meditatie helpt mij om mijn concentratie te verbeteren en om antwoorden te vinden in mezelf. Het zijn geen gedachten, maar het wordt me ingegeven. Ook begrijp en verwerk ik dingen van vroeger, die ik toen nog niet begreep.

Het is een groeiproces volgens Han: “Je kunt niets overslaan. Het begint met ademhalingsoefeningen; als je niet goed ademt kun je ook niet ontspannen. Soms dwing je een volgende stap af door geestverruimende middelen te gebruiken. Dat gebruik je alleen maar als je er echt niet door kan komen.”

“Daar moet je ver vandaan blijven.”

Han lacht: “Dat valt wel mee. Het wordt in sommige landen al eeuwen gebruikt zonder gevolgen. Het verslavingsgevaar komt door andere stoffen die eraan worden toegevoegd. Ik heb nog wel een paar boeken die je kan lenen.”

Ik krijg een boek over een antropoloog die geestverruimende planten bestudeert bij een Indianenstam in Mexico. Met Hans’ uitleg worstel ik me door het boek heen. Het is of ik door zijn ogen kijk en alles zelf beleef. Ineens kan ik niet meer stoppen met lezen. Mijn klieren raken geïrriteerd en zwellen op. Het slikken gaat moeilijk. Met het boek in de hand val ik in slaap.

Ik zie een groot wezen opdoemen, de energie knettert ervanaf en ik bespring dat monster. Ik mag onder geen beding loslaten, want dan scheurt hij mij aan stukken. Toch verlies ik steeds meer mijn grip. Met een smak kom ik op de grond terecht. Nu komt hij op mij afgestormd om me te verscheuren. Door een supersnelle sprong ontwijk ik hem en verstop me in het hoge gras. Ik durf geen adem te halen en raak buiten westen.

Als ik weer wakker word, probeer ik me te oriënteren. Ik herken niets en ben hopeloos verdwaald. Het duurt uren voor ik eindelijk iemand in de verte zie naderen. Het is een jongeman met een vreemde blik die ik niet thuis kan brengen. Het dringt tot me door dat hij alles van mij wil hebben en met een smoes loop ik verder. Het wordt aardedonker, alleen de sterren aan de hemel en de maan verlichten hier en daar de bergen en het landschap. Ik zie lichtgevende wezens, zo groot als pingpongballen, maar dan van puur licht. Ze bewegen dansend mijn kant op. Met een sprong ga ik ervandoor, mijn knieën hoog optrekkend. Ik maak stappen van wel twintig meter tegelijk. Ik loop langs een ravijn en glij uit. Zo ik val naar beneden en word naast mijn bed wakker.

Ik lees meer boeken over de antropoloog en geniet met volle teugen. Nooit had ik kunnen bedenken dat ik zo van lezen kon gaan houden, ondanks dat ik niet alles begrijp en stukken over moet slaan, wat op zich wel frustrerend is.

Han geeft me een nieuwe opdracht. Ik moet een mobiel maken van ronde vormen, bekleed met zilverfolie. Het concentratiepunt is de kaars en aan de rand van mijn blik hangt de mobiel. “En kijk dan maar wat er gebeurt.”

Er komen herinneringen, eerst mooie, dan minder mooie, ik moet lachen en huilen. Het werkt alsof het deksel van de put afgaat. Alles wat ik weggestopt heb, komt weer boven.

Als klein jongetje heb ik met vriendjes ooit eendjes gevangen, dat vonden we geweldig en we wilden ze mee naar huis nemen. Natuurlijk moesten we ze terugbrengen en toen ze werden niet meer opgenomen door hun moeder. We voelden ons heel schuldig. Jaren later zit me nog niet lekker. Al mediterend met de kaars raakt het me opnieuw, maar nog sterker dan toen.

Ik zie dat ik niet altijd aardig ben. Vooral voor mezelf kan ik meedogenloos zijn. Als iets niet lukt en ik raak in de war, word ik zo kwaad op mijzelf, echt witheet van woede. Ik scheld op mezelf: “Je bent een klootzak! Waarom doe je er niets aan?”

Maar ook tegen anderen ben ik niet altijd aardig. Ik vond mijn broers, zussen en moeder altijd een beetje dom, natuurlijk onterecht. Ik vond hun gedrag niet goed, ma trok bijvoorbeeld nog wel eens iemand voor. Ook heb ik ook wel eens van ma gepikt. Als je toch de schuld krijgt, waarom zou je het dan niet doen, dacht ik, maar ik wist dat het verkeerd was. Zelfs het pikken van een flesje vla roept intense gevoelens op. Mijn strottenhoofd klemt mijn luchtwegen af, slikken gaat moeilijk, ik voel mijn lippen tintelen, dan wordt het zwart voor mijn ogen. Nog net op tijd draai ik mijn hoofd naar beneden, weg van de kaars. Ik wil opstaan maar dat gaat niet. Ik ben alle besef van tijd kwijt. Aan mijn slapende benen te voelen moet het wel lang geduurd hebben. Ik laat me op mijn zij vallen, uit alle macht probeer ik mijn benen te bewegen zodat de doorbloeding weer op gang komt. Ik merk dan dat ik niet alleen op de zolder ben. Als ik naar een hoek van de zolder kijk, zie ik een schim wegflitsen. Ik zou er niet voor weg kunnen rennen met die slapende benen.

Na een tijdje kan ik mijn benen bewegen. Nu nog staan. Deze ervaring is nieuw en dat maakt me onrustig. Als ik eindelijk kan staan, ga ik snel naar beneden. Toch moet ik terug, het is mijn huis! Ik loop terug naar boven en voel niets meer. Het is leeg en er is niemand te zien. Ach, ik zal het wel weer gefantaseerd hebben.

Han vertel ik over mijn ervaringen.

Hij zegt: “Dit moest wel gebeuren. Je bent heel hard gegroeid, je hebt veel verwerkt en je heb nieuwe ervaringen opgedaan. Maar je enthousiasme heeft je onderuit gehaald. Je bent gestruikeld over je eigen ego. Je meditatie zal je nu wel op een laag pitje zetten, maar dat geeft niets. Zie jezelf maar als een vrucht: die moet ook rijpen. Het komt goed en ik ben echt trots op je.”

Ik neem vrienden mee naar Han en ook zij raken overtuigd van Hans magnetische gave. Han zegt dat ik het ook kan. Maar ik doe er niets mee omdat ik geen zelfvertrouwen heb. Alleen Edith help ik, want ze heeft vaak hoofdpijn en menstruatiepijn. Dan leg ik mijn hand op haar voorhoofd. Het is als een zaklamp: de straal zie je niet, maar je voelt het effect wel. Na twintig minuten is ze het kwijt. Edith heeft altijd vertrouwen gehad in mijn capaciteiten, meer dan ik zelf.

Via Han word ik uitgenodigd om mee te gaan naar een seance in een café. Het is erg donker met wat brandende kaarsen en wierrook. De wierrook maakt het ademen zwaar. De vrouw die ons heeft uitgenodigd heet Dinie en zegt met enig ontzag: “We krijgen niet zo vaak iemand als jij hier binnen.” En ik denk: ikke? Het lulletje van de straat! Maar ik zeg niets.

We moeten aan een grote tafel gaan zitten en de handen tegen elkaar aan leggen. Een man begint te schokken met zijn lichaam. Het is een verschrikkelijk gezicht: hij spartelt aan de tafel als een vis aan de haak, de overledene die we hebben opgeroepen neemt bezit van zijn lichaam. Hij gaat er grof aan toe. Hij staat op en grijpt naar zijn keel en roept: “Wat heb ik het benauwd!”

Dinie antwoordt: “Dat komt omdat u in een geleend lichaam zit.”

Na een poosje is hij overtuigd dat hij is overgegaan uit de dood. Ze leiden hem naar het licht. Dan gaat er weer iemand in trance. Ik voel al mijn energie mijn lichaam verlaten, alsof ik twee dagen niet geslapen heb. Gelukkig is het dan pauze.

Na een halfuur gaan we verder. Weer voel ik mijn energie mijn lichaam verlaten; of je een waterkraan openzet.

Dinie is heel aardig tegen me: “Jij hebt het,” zegt ze. “Ik hoop dat je volgende week weer mee wil doen.”

Natuurlijk doe ik dat, ik vind het geweldig om mensen die verdwaald zijn weer op weg te helpen. Echt iets voor mij. Maar Bram is er niet over te spreken: “Ik heb zin om je een schop onder je kont te geven en op straat te gooien, lul!”

Ik schrik me rot en durf niets te zeggen.

“Je mag alles doen, maar wel met het licht aan. Wat doe jij? Je luistert niet. Nu voel je je goed, maar als je weet wat er boven je hoofd hangt!” Hij verlaat de kamer en komt na vijf minuten weer terug.

“Ja, kom maar mee naar de behandelkamer.”

Met gebogen hoofd volg ik hem. Hij begint bewegingen te maken met zijn handen en drukt op plekken op mijn hoofd. Na tien minuten heeft hij er genoeg van. Ik moet naar de huiskamer en wachten. Na een kwartier komt hij, vloekt en zegt: “Je kan op verschillende manieren doodgaan. Als je hiermee doorgaat word je gegrepen door wat boven je hoofd hangt. Dat is git- en gitzwart. Het zal bezit van je nemen en je opsluiten in je eigen lichaam. Niemand kan je dan meer redden.” Hij zucht. “Je zit daar in een kroeg. In een kroeg! Wat denk je dat daar rondloopt! Er hangen daar alcoholisten rond, ze willen hogere sferen bereiken. Zo verrot als een mispel. Er is iets dat sluit jou op in jouw hersenen en je kan er nooit meer uit.”

Ik probeer uit te leggen dat Han me heeft meegenomen en niets slechts heeft gezien boven mij.

“Han kan dat niet zien. Als je hier wil blijven komen, moet je daar echt mee stoppen.”

“Wat moet ik dan als die vrouw me opbelt? Ze rekent op mij.”

Bram voorspelt dat zij gaat zeggen dat ze hem wel eens een lesje zal gaan leren: “Laat ze dan mij maar bellen, geef haar mijn nummer maar. Maar ze gaat me nooit van z’n levensdagen bellen. Sterker nog, zij is al geen baas meer over haar eigen lichaam. Zij moet doen waarvoor ik jou waarschuw. Let op mijn woorden. Over twee weken ligt ze in het ziekenhuis. Ze heeft geen eigen wil meer en ze gaat me zeker niet bellen.”

Een van de lastigste dingen van het leven is dat alles zo traag gaat. Maar als het sneller ging, had je alles wat je wilde hebben zonder dat je ervan had geleerd en zonder van de reis te genieten. Je moet het zelf meemaken om het te begrijpen: verliefdheid, volwassenheid, armoede en verlies.

Ook mystiek vereist dat je die zelf ontdekt. Soms moet je zwijgen om mensen te beschermen; niemand wil weten wanneer die dood gaat. Maar vaak is die geheimzinnigheid er ook om de mystiek te versterken. Vrijwel alle mystieke gezelschappen doen geheimzinnig over hun riten. Of het nu gaat om Vrijmetselaars, Corpsleden of religieuze sekten. De mystiek blijft, zelfs als ze erover schrijven en de geheimen daardoor toch openbaar maken. Maar ik denk dat mystieke organisaties toch vooral hun eigen mystiek overeind willen houden, en bovendien de vuile was niet buiten willen hangen.

Zweverige charlatans maken me nog onzekerder, helemaal omdat ik laaggeletterd ben. Ik ben wantrouwig geworden omdat ik zo vaak bedonderd ben. Maar toch voel ik en weet ik dingen die niet te verklaren zijn. Ben ik gek? Ben ik helderziend?

Ik moet heel die trap af om af te dalen naar het niveau van de niet-zienden. Ze snappen me niet. Ik moet mezelf dwingen beneden te blijven. Ik wil me niet beter voelen dan anderen, maar als ik beneden blijf, krijg ik uiteindelijk een depressie.

Dinie belt me inderdaad op als ik niet naar de seance kom. Ze vraagt om het telefoonnummer van Bram want ze wil hem eens goed de waarheid vertellen. Als ik later die week bij Bram kom, heeft ze inderdaad niet gebeld. Ze ligt namelijk zwaar overspannen in het ziekenhuis… Ik beloof nooit meer ergens naar toe te gaan waar het licht uitgaat.

Bram verlies ik uit het oog, maar met Han houd ik steeds contact. Die loopt op een dag tegen mijn zusje Bertha aan en wordt mijn zwager.

Deel deze pagina

2 gedachtes over “Magnetiseur Bram”

  1. Ja Koos, ik ben ook eens met m’n pa naar een man geweest die aan handoplegging deed, wij hadden hem ook via ome Nico Garos.
    Ik moest een week lang een zakdoek op m’n borst dragen, na die week ging ik naar die man in Dordrecht hij heette mr. Bax weet ik nog.
    Ik kwam daar en hij die zakdoek bevoelen met bibberen en zuchten zei hij tegen m’n pa: pak die krukken maar af hij kan staan en lopen…
    Tjaaaa logisch ik zat in het gips tot aan m’n lies dan kan je toch staan!!!!!
    We zijn ook niet meer verder gegaan….m’n pa zei: die man is mesjogge.
    We wachten wel af wat dokter de Bie zegt als je gips er afgezaagd wordt. Maar ik geloof dat er best wel dingen zijn die onze denkwijze
    niet kunnen bevatten. Bedankt voor je leuke verhaal van ome Nico.

  2. Ieder mens is wel goed in iets. Dit is weer iets wat niet iedereen kent. Er zijn genoeg mensen die het wel kennen. Ieder mens heeft zijn talent. Ieder mens heeft zijn weg te gaan op aarde. Er is altijd al meer geweest tussen hemel en aarde. Zelfs daar buiten. De meeste mensen kunnen kleuren zien, sommige niet. De meeste mensen kunnen dansen, sommige niet. Dat is nu eenmaal ook met dit soort dingen. Magnetiseren, Reiki, mediteren, toekomstvoorspellers. De meesten hebben het nog niet goed ontwikkeld maar sommige wel (L).
    Weer heerlijk genoten wat je heb geschreven broer.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.