Met Edith naar de kerk

“Ik ga naar de kerk, naar dominee Maasbach,” zegt Edith op een dag. “Heb je zin om een keer mee te gaan? Dan gaan we samen.”

Zondag sta ik een halfuur op haar te wachten. Als we met moeite een plekje hebben gevonden, gaan een paar dames zingen, het klinkt goed. Dan komt er een donkere man het podium opgelopen.

“Dat is de voorganger,” fluistert Edith.

Hij begint een stuk uit de Bijbel te lezen en legt het uit. Mensen roepen “Halleluja” en “Amen.” De voorganger begint te zingen en tijdens het zingen vraagt hij: “Wie heeft er hoofdpijn? Kom naar voren, dan gaan we samen bidden.”

De één na de ander staat op en loopt naar voren. Het valt me op dat er best veel mensen zijn met hoofdpijn. Hij loopt naar een vrouw en pakt haar handen en begint te bidden. Dan legt hij zijn handen op haar voorhoofd.

“Heeft u last van uw rug? Komt dan naar voren!”

Daarna maakt het niet meer uit wat voor klacht je hebt. Het is een drukte van jewelste! Een mevrouw valt op de grond. Ik wil opstaan en haar helpen, maar Edith houdt mij tegen. “Nee, laat maar gaan. Dat hoort erbij.”

Ik kijk mijn ogen uit, de één na de ander gaat onderuit. Soms vallen ze zo hard, daar moet je wat aan overhouden.

Zelf wandel ik altijd met God. Ik heb ook wel eens de Bijbel geprobeerd te lezen, maar daar snap ik echt helemaal niets van. Natuurlijk, ik kan niet goed lezen. Maar van wat ik begreep ging het alleen over moord, doodslag en verraad. Dat kan nooit goed zijn, zo heb ik God nooit ervaren. 

In de kerk kom ik een oude vriend tegen, Marcello uit de discotheek. Hij vraagt of ik ook op een donderdagavond wil komen, dan is het voor jongere mensen met muziek. Nog gezelliger dan de discotheek. Ik beloof het.

Die donderdag swingt het goed, het is inderdaad net alsof je in een disco staat, alleen wordt er over Jezus en God gezongen. Weldra heb ik een gezangenboekje en een cassettebandje. Ik draai het bandje grijs, al gauw kan ik de meeste liedjes meezingen. Het werkt echt bevrijdend.

Na de dienst kom ik Marcello tegen, hij nodigt me uit om wat te drinken en vraagt of ik wel eens Bijbelstudie heb gedaan. Het is gratis. Ik zeg dat ik daar niet goed in ben; ik snap die Bijbel niet. Hij lacht en zegt: “Ik help je wel, het komt helemaal goed.”

Ik stem toe en ga met hem op een woensdagavond naar Bijbelstudie. Na drie weken begin ik het een beetje te begrijpen. Marcello vraagt aan een jongen die ik niet ken: “Hoe moet je nu mediteren in de Heer?”

“Je kan bijvoorbeeld muziek opzetten en meezingen. Je kunt ook gaan liggen en je voorstellen dat je in het licht van de Heer staat.”

Marcello vraagt mij: “Heb jij al ervaring met Onze Lieve Heer?”

“Ja, zeker! Ik heb het licht zelfs twee keer gezien.”

“Vertel. Mijn aandacht heb je.”

“Het is een mooie dag, maar ik heb mijn dieptepunt bereikt en heb nergens zin meer in, toch moet ik mijn hond uitlaten. Ik vraag me af hoe ik nu verder moet. Wat er ook voor een gedachte komt, steeds geef ik weer hetzelfde antwoord: geen zin. Mijn hond loopt langs me heen, kijkt naar me en loopt verder. Ik moet wel opstaan maar ook daarin heb ik geen zin. Om haar niet uit het oog te verliezen, sta ik op. Tien meter verder verschijnt een licht. Ik wil nog maar één ding: het licht ingaan. Dan zijn al mijn zorgen voorbij en ben ik voor altijd gelukkig. Al mijn zussen en broers staan achter me en willen niet dat ik erin ga. Met jullie komt het wel goed, denk ik bij mezelf. Ik zet twee stappen vooruit om mijn reis in het licht te beginnen. Ineens komt er een persoon in het geel naast me staan. Ze is niet gekleed in het geel, maar bestaat uit geel licht. Het is ma. Verlangend kijk ik naar het licht en zeg ertegen: ‘Het spijt me, maar ik kan niet met je meegaan. Ik kan ma dat niet aandoen.’

Terwijl ik dat zeg, lopen de tranen over mijn wangen. Het mooiste licht dat ik ooit gezien heb. Daar sta ik dan. Met mijn broers, zussen en kennissen achter mij en ma naast mij.

‘Ik blijf maar hier’, zeg ik tegen het licht ‘en dien mijn tijd wel uit. Ik kan niet anders.’

Dan verdwijnt het licht.”

Marcello is even stil en zegt dan: “Koos, als je dat licht was ingegaan, had je het nu niet aan ons staan te vertellen. Als je het moeilijk hebt, laat het mij dan alsjeblieft weten.”

Ik knik. Ik zelf heb daar nooit bij nagedacht, dat ik dan dood zou zijn. Voor deze wereld dan. Er gaan een paar weken voorbij en ik doe zeker mijn voordeel met de Bijbelstudie. Jammer genoeg heb ik geen geld om steeds met de metro te gaan.

Af en toe ga ik nog op zondag naar de kerk, maar daar begint ook langzaam de klad in te komen. Na een lange tijd kom ik Marcello weer tegen op straat, en hij zegt:

“Ik ben een eigen gemeente begonnen, heb je zin om een keertje langs te komen?”

Daar krijg ik een warm onthaal. De mensen zijn er allemaal een stuk jonger dan ik. Marcello is laat en sommige gemeenteleden besluiten om zonder hem te beginnen met zingen. Er komt een blond meisje het podium op. De band begint te spelen. Ze begint prachtig te zingen in het Engels, met groot gemak en zo zuiver. Ik hoor een tweede stem. De liederen die ze zingen ken ik niet. Alles is in het Engels, dat is wel jammer, omdat ik niet mee kan zingen. Na het vierde nummer komt Marcello binnen. Hij vraagt: “Waar is Edith, ziet ze het niet zitten om hier te komen?”

“Nee, ze heeft avonddienst. Waarom kom je niet meer in de andere kerk?”

“Ik wilde graag onder de vleugels van onze voorganger een gemeente beginnen, na mijn opleiding in Amerika. Maar een andere broeder was het daar helemaal niet mee eens en noemde mij een verrader en overtuigde onze voorganger. Toen werd ik de kerk uitgezet en ben ik zelf maar een gemeente begonnen. Jij en Edith zijn hier altijd van harte welkom.”

“Fijn. En hoe kom ik aan de liedjes die jullie zingen? Ik wil wel graag meezingen.”

“Ik ga ervoor zorgen dat jij de teksten krijgt.”

Als Edith de andere dag bij me langs komt, vertel ik haar mijn avontuur bij Marcello, ze wil wel een keertje mee. Die zaterdag in de dienst vraagt de voorganger of er mensen zijn die willen helpen met het dak van de kerk. Er zijn veel lekkages op het dak. Ik steek mijn hand op en een broeder neemt me mee naar een aparte ruimte. Ik ben van harte welkom, al kan ik niet te diep door mijn knieën.

Die woensdag beginnen we met het dak. Als wij op het dak zijn, stelt die broeder ons voor aan de dakdekker, die ons uitlegt hoe we te werk moeten gaan. Het is heet. Al snel hebben wij onze opdracht uitgevoerd en al het grind op hopen bij elkaar geschept. Dan worden wij geroepen om te komen eten. Maar als wij beneden komen ligt er geen broodje meer. Er ontstaat een woordenwisseling. Voor de volgende dag word ik weer gevraagd. Als wij weer worden geroepen, is weer al het brood op. De vlam slaat in de pan. Ik draai me om en ga naar huis.

Deel deze pagina

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.