Een eerlijk gesprek

Het is mooi weer op een koude, winterse dag. Ik besluit te gaan zeevissen. Alleen een paar haakjes en zeepieren heb ik nodig en dan naar het strand. Heerlijk vissen op de gul; jonge kabeljauw. Ik voel me licht, rustig en kalm als ik vis. Ik denk over van alles na: waarom voel ik me zo goed aan de waterkant, vooral aan zee? Een meneer komt naast me staan en zegt: “Jij vindt het toch niet erg dat ik even sta te kijken?”

“Nee hoor, kijkt u maar lekker.”

“Weet je, ik zou ook zo graag willen vissen, maar ik kan het niet.”

“Waarom denkt u dat? Iedereen kan vissen, ook u!”

“Ik heb moeite met het maken van die onderlijntjes, dat kan ik maar niet onder de knie krijgen.”

Het water staat in zijn ogen en ik voel zijn onmacht. Dat herken ik uit duizenden, ik ga het hem leren. Ik loop naar mijn foedraal, maar de man krabbelt terug.

“Nee dat hoeft niet, ik kijk wel.”

“Nee, ik ga u leren zeevissen.”

Ik pak een zeehengel en zet hem in elkaar. Vervolgens zet ik er een molen op. Dan laat ik hem zien hoe makkelijk het is om een onderlijntje te maken.

Eerst raakt hij in paniek, maar ik weet hem gerust te stellen. Als ik het twee keer heb voorgedaan, laat ik het hem zelf proberen. Na een uur kan hij drie verschillende onderlijnen maken. Ik zie de tranen over zijn wangen lopen. Na tien minuten staat hij als een pauw zo trots achter de hengel te vissen.

“Vis jij vaak op zee?”

“Ik heb niet veel anders te doen. Ik heb nog geen werk kunnen vinden.”

“Wat voor werk zoek je, waarvoor heb je geleerd?”

Met een rood hoofd vertel ik hem dat ik geen opleiding heb en ongeschoold werk zoek. Er gaat een rilling door mijn lichaam mijn gezicht begint te gloeien. Voor ik het weet zeg ik tegen hem dat ik ook niet goed kan lezen, maar dat ik het wel graag zou willen. Hij glimlacht: “Ik zie hoe moeilijk jij het vindt om daarover te praten. Jij bent de eerste die laat zíén hoe het moet. Andere mensen geven de titel van een boekje waarin staat hoe je onderlijntjes moet maken. Eerst dacht ik dat je een boekje erbij zou pakken, totdat ik zag wat je echt ging doen. Wat was ik blij dat het geen boekje was.”

Nu schieten wij samen in de lach. Wat is het toch vreemd dat je er niet voor durft uit te komen dat je niet goed kunt lezen en schrijven. Het gaat altijd over het leren van de ou en de au de lange ij en de korte ei, de dt of een t of toch een d. Ik weet het niet en hij dus ook niet. We praten over onze ervaringen op school. Ik vang twee kleine visjes en hij vangt de grootste: zijn eerste gul.

In de trein naar huis bedenk ik hoe moeilijk het is om iemand in vertrouwen te nemen en te vertellen dat ik niet goed kan lezen en schrijven en zelfs niet rekenen. Jammer dat ik geen geld kan verdienen met de dingen die ik wel kan. Dan realiseer ik me dat we geen afspraak hebben gemaakt om nog eens een keer met elkaar te gaan vissen.

Deel deze pagina

7 gedachtes over “Een eerlijk gesprek”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.