Toneel, kan ik dat ook?

Vrijdag komt mijn taalmaatje Marijn weer langs. Samen hebben we een moodboard gemaakt. Zo leer ik beter hoe ik een boek kan schrijven en wat de inhoud wordt. Ik ben met een nieuw verhaal bezig over dromen. Stap voor stap leer ik nieuwe dingen, die allemaal met taal hebben te maken. Ik had nooit verwacht dat ik zo ver kon komen en het einde is nog lang niet in zicht.

Marijn vertelt ondertussen over toneel. Het brengt me terug naar de kolonie. We liepen verkleed als sprookjesfiguren. De een was een kabouter en de ander een heks, ik vond het geweldig. Ook in het internaat kregen we toneel.

Ze neemt me mee naar een uitvoering van ‘In het wild’, locatietheater in de wijk. We genieten met volle teugen. Edith moedigt me aan om mee te gaan doen. Ik vertel Marijn dat ik het heel leuk heb gevonden. Ik vraag me wel af of ik wel toneel kan spelen. Dat is heel wat anders dan op een podium staan en je verhaal vertellen over laaggeletterdheid: “Klap ik niet dicht van de zenuwen en heb ik het geheugen er wel voor? Zou ik het nog steeds kunnen of ben ik daar te oud voor?”

“Het heeft niets met je leeftijd te maken. Als jij dat wil kan je het leren, het zou zelfs heel goed voor je zijn. Dan ben je met je zelfvertrouwen bezig en met taal!”

Ik doe allemaal dingen die ik voorheen niet durfde, het is eng, spannend en enorm leuk! Van buiten zie ik er rustig uit maar van binnen bruist het. Marijn vraagt ten slotte of ik figurant wil zijn bij het Zakkendragersgilde in Schiedam, dat het oude ambacht van zakkendrager in ere wil houden. Ik hoef niets te zeggen en dus geen tekst te onthouden.

Van de zenuwen sta ik natuurlijk weer veel te vroeg voor de deur van het zakkendragershuisje. Toevallig kom ik daar een oude schoolvriend tegen en ook nog een docent. Met een glimlach denk ik aan de tijd dat ik elke dag op de bank hing. Nu sta ik vol in het leven.

Koos als zakkendrager

Alle mannen verwelkomen me hartelijk. Ik krijg kleding aan uit de achttiende eeuw. Met de Schiedamse Zeekadetten gaan we naar de jeneverstokerij. Er zijn vaten vol met graan, een oude steekwagen en een ‘smakbak’, daar wordt mee beslist of je mag scheppen of moet sjouwen.

Het ziet zwart van de mensen, ze komen van heinde en ver voor de Monumentendag. Na afloop vragen ze of ik lid van het Gilde wil worden. Vanaf nu ben ik zakkendrager.

Kort daarop vraagt Merijn of ik figurant wil zijn bij Alice in Wonderland als de gekke hoedermaker. Een dame herkent me van mijn verhaal bij de Lions. Ik word geschminkt en Edith vindt dat ik op ma lijk. Ik moet zoveel mogelijk improviseren, is haar advies, vooral met de kinderen. Een klein meisje van een jaar of drie biedt me een snoepje aan. Ik smelt en kom erachter dat het haar enige snoepje is. Ik doe het stiekem weer terug in haar tasje. Weer gaat ze met haar hand het tasje in en biedt mij hetzelfde snoepje aan. Ik stop het weer terug, en vul haar hele tasje met andere snoepjes. De camera’s en telefoontjes flitsen om ons heen. Mijn avond kan niet meer stuk en de zenuwen voor toneelspelen ben ik helemaal kwijt.

Na een paar maanden voel ik me nog veel zekerder. Ook als zakkendrager heb ik het naar mijn zin. Ik vertel de andere zakkendragers van mijn laaggeletterdheid en ze hebben alleen maar bewondering voor mijn doorzettingsvermogen.

Marijn geeft me een telefoonnummer van Bernard, haar regisseur. Hij nodigt me uit om kennis te maken met de toneelgroep.

In eerste instantie hoef ik niet mee te doen, maar ik wil toch. Daarvoor moet ik een Duits klassiek lied instuderen en op de avond zelf playbacken, het staat op YouTube. Ik roep de hulp van Edith in, want Duits is voor haar gesneden koek. Ze vertaalt alles voor me en sommige woorden schrijft ze fonetisch op. Edith kent het liedje binnen een paar dagen al beter dan ik. Ik zou het ook wel zo snel willen leren. Ik oefen de hele week, zelfs onder de douche.

De eerste gaat de vloer op en begint te playbacken, opeens trilt zijn mond: “Hij playbackt met vibrato!”

Iedereen barst in lachen uit, daarmee verdwijnt mijn faalangst. Uiteindelijk kom ik aan de beurt, natuurlijk playback ik het hele lied. Ik laat me niet kennen. Bernard zegt: “Jij zou alleen maar kijken Koos, maar dat doen we niet meer, jij krijgt een rol.”

Zo word ik Willem Koorengevel in het toneelstuk Koning Lier, naar Shakespeare, maar dan over een havenbaron. Wim Koorengevel is door zijn vrouw directeur geworden. De bastaardzoon wint Wims vertrouwen en ook dat van de twee dochters. Zo verraadt hij zijn eigen vader en broer.

Het is niet een te grote rol, zeker niet als je naar de anderen kijkt, maar mijn faalangst is weer volop aanwezig.

Helaas kom ik er ook achter dat het aardig wat geld kost. Marijn gaat kijken of er wat te regelen is. Ineens mag ik niet meer betalen voor mijn thee of colaatje. De toneelclub houdt me vrij. Soms probeer ik het toch, maar daar zijn ze fel op tegen. Ik schaam me. Ondanks dat ik werk verdien ik bijna niets.

Bij de eerste repetitie moet ik tekst voorlezen. De paniek slaat meteen toe. Niemand die het merkt, maar ik sta bijna hardop te bidden! Tot mijn verbazing gaat het goed. Nu ben ik echt trots op mezelf.

De toneelclub voelt als een warme deken. Eerst de zakkendragers en nu dit, ik krijg er steeds meer vrienden bij. Waarom nu wel en vroeger niet?

Ik merk snel hoe gevoelig ik ben, ik kan moeilijk met kritiek omgaan. Daarvoor heb ik hulp gevraagd bij de huisarts. Een afspraak maak ik als de toneelopvoeringen voorbij zijn. Een van de toneelspelers maakt er zelfs een gedicht over. Ik ben het er niet helemaal mee eens, maar ik geef toe dat er wel een kern van waarheid in zit. Toch krijg ik een compliment van hem, want ik doe wel wat met de kritiek. Ben ik dan al zo veranderd? Ja, en steeds meer. Maar tegelijk wordt mijn angst sterker.

Wat heb ik een bewondering voor de hoofdrolspeler, hij heeft een boekwerk aan tekst bij zich. Sommigen zijn zo goed in lezen, ik vind het heerlijk om naar ze te luisteren. Zo vergeet ik soms dat ik aan de beurt ben. Met een rood hoofd lees ik dan verder. Na een paar keer doorlezen gaan we het eerste deel spelen, daarin heb ik samen met een ander één regel: “Beheers u schoonpapa.”

We roepen het precies synchroon. Iedereen schiet in de lach. Bernard zegt “Dat lukt jullie geen tweede keer.”

Na een paar weken krijg ik de smaak te pakken en zie ik steeds beter voor me wie mijn karakter is en hoe ik mijn rol moet spelen. Soms gooi ik teksten door elkaar en vraag me af of dat komt door de zenuwen of door mijn dyslexie. Thuis wordt Edith gek van het lied dat we echt mee moeten zingen. De dag van de première nadert, ik krijg het steeds benauwder en kan moeilijk slapen. Edith moedigt me aan.

Caroline heb ik uitgenodigd om te komen kijken, ze neemt een vriendin mee die ook regisseur is. Als we klaar staan in de hal, wachtend op de muziek, voelt het toch heel anders dan tijdens de repetities. Bernard hoor ik in gedachten roepen: “Jij moet uit volle borst blijven zingen want jij kent als enige het hele lied uit je hoofd, dus de anderen houden zich aan jou vast.”

Ik dans tot we worden onderbroken door Lier, die zijn bezit over de drie dochters gaat verdelen. Ik zie Caroline zitten, ze lacht en ik lach stiekem terug. Even weet ik mijn tekst niet meer, maar het komt goed. Mijn bladen met tekst zie ik voor mijn ogen voorbij gaan en ik vergeet niets. Dan komt er een scène met de stoel, waar ik een regel vergeet. Tijdens het spelen merk ik dat mijn medespelers ook af en toe iets vergeten door de stress. Het publiek merkt er niets van.

Vierde van links Merijn. Koos trots in het midden.

Na het applaus snel omkleden. Caroline en haar vriendin hebben ervan genoten. Caroline heeft zelf ook zin gekregen om weer te spelen. Nu weet ik zeker dat ik het goed heb gedaan. Jammer genoeg is de faalangst de andere dag nog erger. Tegelijk lijkt het of ik word opgetild door het spel van de anderen.

De derde uitvoering is ‘de dag van de vloek’. De meesten denken dat ze het nu wel kunnen en de stress valt weg. Dan verslap je en gaat het vaak mis. Inderdaad gaat er de volgende dag van alles mis, maar we weten het op een geniale manier te herstellen. Ik denk aan mijn tekst, maar er komt niets. Het is zo ontzettend warm. Eenmaal aan de beurt sta ik op. Mijn eerste regel komt boven drijven en ik spreek hem uit. Dan wordt het zwart voor mijn ogen. Net op tijd komt er tekst uit mijn mond en zie ik de mensen weer. Dan volgt het stuk met de stoel. Het wordt weer zwart voor mijn ogen. Snel pak ik Balt vast maar ik vergeet behoorlijk wat tekst. Eenmaal in de kleedkamer komen de spanningen vrij, de meeste zijn ontevreden over hun performance, ondanks het daverende applaus. Ik baal net zo hard en vertel wat er gebeurd is. De andere dag vliegen de rolletjes Dextro om mijn oren en Edith geeft me een flesje cola. Als we aan het spelen zijn en het weer zwart wordt, neem ik een paar slokken cola en alles gaat van een leien dakje.

Op zaterdag hebben we twee voorstellingen achter elkaar. Tot mijn grote verbazing voel ik de faalangst eindelijk dalen. Mijn broer Henk en schoonzus Dees zitten in de zaal. Edith, die achter de bar staat, vindt het mijn beste optreden. Zondag is het laatste optreden, dan valt het doek. Dat geeft toch een bevrijdend gevoel. Op maandag voel ik me trots maar ook uitgewoond. Edith vraagt: “Doe je de volgende keer weer mee?”

“Zeker weten!”

Op de WhatsApp van onze toneelgroep verschijnt een boodschap. Twee mensen gaan als figurant optreden bij een tv-serie. Hoe vaak ik daar niet aan gedacht heb! Het lijkt me zo leuk om dat te mogen doen. Tegenwoordig ga ik graag nieuwe uitdagingen aan.

“Hoe kan ik daaraan meedoen?” vraag ik aan Jack.

“Zodra ik een bericht krijg, stuur ik het aan je door.”

Na een paar dagen krijg ik een bericht van Jack: “Figuranten gezocht voor Flikken Rotterdam.”

Ik reageer meteen en ik mag meedoen. Edith deelt mijn blijdschap. Op de dag zelf heb ik nog geen bericht. Ik stuur zenuwachtig een app. Na een halfuur krijg ik een reactie: ik moet me melden in de passage van Schiedam. In de passage mag ik plaatsnemen. Na een kwartier komt er een man van de organisatie en zegt dat ik een broodje kan halen. Op de hoek van de straat staat een tent. Als ik ernaar toeloop zie ik mensen eten pakken, dus ik pak ook een broodje. Opeens brult er een stem: “Meneer wat gaat u doen?”

Ik moet mezelf eerst tot de orde roepen om niet terug uit te vallen. Dan vertel ik rustig dat ik ben gestuurd door een man en wijs hem aan. Nu brult hij: “Hebben zij geen eigen tent?”

“Nee,” zegt de eerste man rustig.

De schreeuwende man laat weten dat hij er niet van gediend is en zegt dat wij apart moeten eten. Met de pest in mijn lijf ga ik weer zitten; het liefst wil ik nu weglopen. Maar ik ben al te vaak weggelopen. Dan vraagt een aardige dame of we lekker gegeten hebben. Verbaasd vraag ik: “Waar staat het eten dan?”

Ze wijst naar een hoekje bij een bloembak. Daar staat een mandje met brood en een mand met gekookte eieren. Ik pak een boterham met een plakje worst en vraag of ik water te drinken kan krijgen.

Er worden mensen opgehaald en weer valt er een stilte. Er is nog steeds niets te drinken. Als ik binnen vijf minuten geen water kan krijgen, ga ik weg. Dan komt er eindelijk een man met drinken binnen.

Dan komt de lunch. Onmiddellijk volgt er een mededeling dat wij pas mogen gaan eten als ieder ander eten heeft gepakt, van acteurs tot de technische dienst en de stadswachten toe.

Mijn God, geef me kracht om het vol te houden! Wat is dit vernederend. Maar ik ga door tot het einde, omdat ik dan in mijn blog wil schrijven wat ik ervan vind.

Het is bloedheet en we zitten loom af te wachten totdat wij eten mogen pakken. Ik neem een klein beetje spaghetti. Dan mogen we eindelijk in de schaduw gaan zitten. Het is vlak in de buurt van de acteurs en regie. Er blijkt iemand jarig te zijn; uit volle borst beginnen ze te zingen ‘Er is er een jarig’. Niemand van de figuranten zingt mee, omdat ze ons wel hebben laten weten hoe ze over ons denken. Soms komt er een acteur in mijn buurt, maar ik zwijg als het graf. Ik staar alleen.

Tot nu toe heb ik alleen een hand gekregen van de man die de boef speelt, omdat hij mij op de roltrap een zet gaf. Een meisje vraagt aan mij wie ik ben. Ze ziet dat de meeste mensen die langs komen me gedag zeggen en er zijn er veel die me een knuffel geven.

“Bijna iedereen die hier komt kent u! Wie bent u?” Ik begin te lachen en vertel haar maar dat ik ambassadeur ben en voorzitter van ABC Zuid-Holland.

“Ik sta dus bij een beroemde man!” Ze probeert me te googelen en komt steeds vragen hoe mijn naam is. Ik geef haar mijn kaartje en ze vertelt het tegen iedereen.

Het is acht uur in de avond. Ik ben het nu wel zat en verlang naar huis. Nog een uur in een garage, dat zou de laatste opname moeten worden. Na tientallen keren overdoen en de acteurs aan te staren zegt er eindelijk weer één hallo. Even wil ik vragen of het zeer deed om dat te zeggen, maar ik houd me in.

Als het voorbij is, blijkt dat we toch nog even naar buiten gaan om daar nog een scène op te nemen van de tram en nog iets. Ik word bij een bushalte neergezet. Naar een halfuur zijn we klaar. We krijgen wel nog allemaal een presentje. Ik begrijp nu waarom ze figuranten tekortkomen.

4 gedachten over “Toneel, kan ik dat ook?”

  1. Haha, ik weet toevallig dat dit verhaal nog verder gaat!
    Die lezers blijven zich verbazen over jouw doorzettingskracht.
    Ik zie je twijfelen, worstelen en soms terugvallen in oude patronen, maar ik zie je ook steeds meer genieten en groeien en dat is mijn mooiste beloning ??

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.