Onweer

Er is onweer op komst, de lucht wordt donkerder en donder en bliksem komen steeds dichterbij. Ik voel de luchtdruk van de donderslagen op mijn borstkast. Ik kijk naar beneden en daar is ze, mijn lieve vriendin Katrien. Met iedere knal krimpt ze ineen ze kijkt me aan met haar vragende ogen.

Ik kniel voor haar en geef haar een knuffel. Ja meisje, ik ben op zoek naar een schuilplaats, maar we zijn midden in de rimboe tussen de wilde dieren. Ik voel me zelfverzekerd, nog nooit heb ik dat zo op die manier gehad. Ik zie in de verte een oud gebouw. Als we dichterbij komen merk ik dat het verlaten is. Ineens staan we binnen, er is geen licht en we zien dat de bliksemschichten elkaar sneller opvolgen. We kijken samen naar het onheil dat ons nadert. Ineens zien we buiten een grote hond tevoorschijn komen. Hij heeft het uiterlijk van een hyena, maar is veel groter. Haar speeksel is lichtgevend, net als de bliksem. Zij maakt zich zo groot mogelijk, maar bij elke bliksemschicht en donderslag krimpt ze ook ineen.  Katrien gromt. Het monster is kennelijk bang en zoekt bescherming net als wij.

Omdat ik mijn hond al meer dan zeven jaar ken lees ik in haar ogen haar gedachten: “Als je haar binnen laat vreet ze ons op.”

Normaal gesproken zou ik in paniek moeten raken, maar ik voel geen angst. Ik besluit het erop te wagen. Het dier komt naar binnen. Katrien laat meteen weten hoe ze er over denkt. Ik maan haar tot kalmte. Het beest gromt ook naar Katrien, maar niet naar mij. Het is als of ze me kent of op zijn minst weet wie ik ben. Ik ga op zoek naar een slaapplaats, want op de grond slapen is geen optie, de vloer is van beton. Ik vind een grote tafel waar we makkelijk met zijn drieën op kunnen liggen. Ik lig in het midden, want de dames blijven naar elkaar grommen. Steeds weer zeg ik dat ze moeten stoppen. Katrien valt met haar rug dicht tegen me aan in slaap. Ook het grote beest ligt met haar rug tegen me aan, ik doop haar Bliksem. Ik word ertussen platgedrukt. Toch heb ik er alle vertrouwen in dat ze ons niet als lunch ziet. Het is vreemd om geen angst te voelen, maar ook heel bevrijdend. Met zijn drieën vallen we in slaap. Als we weer wakker worden is alles weer rustig en buiten schijnt de zon. We gaan op zoek naar eten. Het is een groot gebouw en pas na lang zoeken vinden we een kantine met grote diepvrieskasten. Ze staan allemaal nog aan. Ik vind in een ervan biefstuk en geef de honden alvast een stuk. Ik wil voorkomen dat Katrien ik en alsnog als lunch eindigen, maar gelukkig is er is meer dan genoeg vlees voor de komende maanden.

Nadat we onze buik vol hebben gegeten, gaan we de rest van het gebouw onderzoeken. Ik vind van alles: wijnkelders vol en kratten met limonade. Als we het gebouw hebben uitgepluisd, gaan we naar buiten en komen op een grote binnenplaats terecht. Je ruikt er dat het heeft geregend. Al die heerlijke geuren komen op me af en ik voel tevreden de warme zonnestralen mijn gezicht strelen. In het midden van de binnenplaats is een groot zwembad, warm genoeg om een lekkere duik te nemen. We springen alle drie tegelijk het water in. Het is verfrissend en brengt rust.

Maar dan staat daar plots een grote leeuw, vol in zijn kracht. Hij kijkt naar ons en komt naar de rand van het zwembad. Ik zwem naar hem toe maar blijf net buiten zijn bereik. Mocht hij kwaad in de zin hebben, dan moet hij springen. Maar hij springt niet. Hij kijkt me alleen strak en onderzoekend aan. Dan draait hij zich om een loopt weg.

Het wordt donker we gaan weer naar binnen en genieten nog even van een lekker stuk vlees. Voor de dames rauw en voor mezelf gebakken.

De volgende dag wordt het tijd om te kijken waar die leeuw vandaan kwam. Het blijft een raadsel hoe hij binnen is gekomen. Ik ben bang dat hij nog ergens binnen is en ik wil niet dat hij ons overvalt als we liggen te slapen. Hij moet toch ergens uithangen? Ik ga naar buiten om te kijken of ik hem daar kan vinden. Na meer dan een uur rond te hebben gelopen, vinden we geen spoor van de leeuw of welk ander roofdier dan ook. Steeds verder gaan we van het gebouw af, dan doemen er een paar leeuwinnen op uit het niets. Katrien drukt zich stevig tegen me aan en begint te grommen, Bliksem doet hetzelfde en laat ook kreten horen. Het is net of ze lacht. Ik bal mijn vuisten, ook al hebben we weinig kans om ons hier uit te vechten. Dan klinkt er een oorverdovend gebrul vanuit het bos, alle dieren krimpen ineen, ook de leeuwinnen. Daar is de leeuw met zijn perfecte manen, nu zie ik pas hoe groot hij is. Komt hij ons afmaken? Op één meter afstand blijft hij staan en kijkt in het rond naar alle leeuwinnen die voor hem buigen en zich terug trekken. Hij kijkt naar ons en loopt langs ons heen, Katrien en Bliksem volgen hem. Ik begrijp er niets van, waarom moeten we hem volgen, wat wil hij van ons? Alleen blijven durf ik niet, dus net als Katrien en Bliksem zet ik de achtervolging in. We komen langs het gebouw waar we slapen, na een hele tijd zie ik een kerk tevoorschijn komen. De deuren staan open. De leeuw komt nu heel dichtbij, hij stopt vlak voor mijn gezicht. Hij kijkt me diep in mijn ogen. Ik voel zijn zelfverzekerdheid en zijn voorkomen als een koning. Zo kijk ik steeds dieper en dieper, tot ik een draaikolk zie die wild tekeer gaat. Tot mijn verrassing merk ik dat de leeuw mijn eigen kracht is. Het is als of ik buiten mijzelf sta. Ik heb mezelf al die jaren in de maling genomen en niet willen zien hoe krachtig ik ben, omdat ik bang was om te falen, ik had geen geloof in mezelf. Maar met iemand naast me ben ik net zo onverslaanbaar als de leeuw. Terwijl de leeuw de leeuwinnen niet nodig heeft voor zijn kracht. Ik denk dat daar een van mijn problemen ligt. Altijd op mezelf aangewezen. Niet kunnen praten over mijn gevoelens of mijn fouten.

Nu zou ik het aan die leeuw willen vragen: “Hoe doe je dat?”

Hij leidt ons de kerk binnen en lost dan langzaam voor mijn ogen op. Maar ik wil niet dat hij oplost en raak in paniek: “Alstublieft, ga niet weg!”

Maar hij geeft geen gehoor aan mijn smeekbede. Hoe moet ik er nu achter komen waarom hij ons hierheen heeft geleid? Katrien en Bliksem beginnen nu ook op te lossen.

“Laten jullie me nu ook in de steek?”

Ik ben nu alleen. Stilletjes ga ik op een onopvallend plekje in de kerk zitten, achter een brede lange man die het uitzicht ontneemt, zodat ik nog altijd stilletjes ertussen uit kan knijpen.

Uit het niets word ik opgepakt door iets mannelijks. Steeds hoger de lucht in. Hij moet wel lang zijn, want de mensen worden steeds kleiner. Daardoor krijg ik een beter overzicht hoe diep en breed het allemaal is. Dat het druk in de kerk was wist ik, alleen niet dat het zo groot en vol zat. Toch ben ik niet bang meer dat andere mensen me zien. Langzaam zweef ik naar voren, tot ik drie stoelen zie. Ik word op de middelste neergezet.

“Lieve jongen, wat moet er gebeuren om jou zover te krijgen dat je accepteert wie je bent?”

Ik kijk een lange man aan, met grijs haar en een bril met een zilverachtig montuur. Zou hij een gids zijn, een overleden familielid, zoals waar ik over hoorde op de Reiki-avonden? Zijn ogen schitteren van vriendelijkheid en energie. Ik zie krachten, gebundeld als een bal die constant in beweging is.

“Ik weet het niet,” stamel ik. “Maar ik wil het wel heel graag.”

De man vervaagt met alles eromheen. Dan word ik langzaam wakker met een tevreden gevoel. Maar de rest van de dag spoken de vragen door mijn hoofd. Hoe krijg ik het voor elkaar om in mijn eigen kracht te gaan staan? Met iemand samen kom ik altijd tot mooie resultaten, maar op mezelf aangewezen lukt het me zelden. Maar in de droom heb ik toch gezien dat ik alles heb om te slagen.

Ik kijk op de klok, het is pas drie uur in de nacht. Geen haast om op te staan, maar toch te helder om in slaap te vallen. Ik weet dat ik veel talenten van mezelf heb verwaarloosd. Tekenen, kleien, zingen en toneel, ik kan het veel beter. Zo goed zing ik niet, ik heb nog een lange weg te gaan. En met tekenen moet ik weer opnieuw beginnen, dat heb ik al lang niet meer gedaan. Bovendien moet ik weer sporten om af te vallen, het kost allemaal zoveel tijd. Schrijven gaat me misschien nog het beste af, toch kan ik het veel beter leren door er nog meer tijd in te steken. En met Reiki wil ik ook verder. Maar ben ik wel goed genoeg, zitten ze echt op een Koos te wachten? Edith zegt van wel en roept met alles: “Kom op, je kan het! Straks is het te laat. Je heb het allemaal in je zitten, maar er komt niet veel uit.”

Dankzij haar ben ik toch weer het zingen op gaan pakken. Ook stort ik me nog meer op mijn huiswerk van school om een nog betere schrijver te worden. Ik ga kijken of ik een ruimte kan huren om Reiki te geven, anders heb ik voor niets zo hard gestudeerd al die jaren om Reiki master te worden. Corona of mijn gezondheid zijn geen excuus. Ik heb mensen die me geweldig ondersteunen en ben niet meer alleen zoals vroeger. “Kom jongen, ga ervoor,” roep ik in gedachten tegen mezelf.

Op zoek naar antwoorden van mijn droom val ik toch weer in slaap. Ik zie flitsen van beelden voor mijn ogen voorbij gaan. Eindelijk wordt het rustig en ben ik terug in een bos. Er zit een man in het rood gekleed die in een kleermakerszit boven de grond zweeft in diepe trance. Voorzichtig wil ik om hem heen lopen, maar telkens kom ik weer voor hem terecht. Ik ben bang dat ik hem uit zijn meditatie haal. Iemand fluistert in mijn oor: “Ga voor hem zitten in dezelfde houding als hij.”

“Wie bent u?” vraag ik.

“Dat doet er niet toe.”

Gehoorzaam ga ik zitten, al voel ik me niet op mijn gemak, omdat ik niet kan zien wie er tegen me praat. Bram en Han hebben me vaak verteld over monniken en hun meditatie. Oké, denk ik, alle gedachten loslaten en kijken wat er dan gebeurt. Na een tijd doet de monnik zijn ogen open en kijkt me aan, maar zegt niets.

“Mag ik u iets vragen?” begin ik.

Het enige wat hij doet is vriendelijk lachen en hij sluit zijn ogen weer. Dan begint hij geluiden te maken, het klinkt als aummmmm, en hij knikt.

“Bedoelt u dat ik hetzelfde moet doen?”

Hij verblikt of verbloost niet en gaat gewoon door met het maken van het geluid. Ik probeer hetzelfde geluid te maken, ik krijg er een brok van in mijn keel. Dan voel en proef ik het zout, voor ik het weet begin ik te snikken. Het duurt best lang. Net als ik het op wil geven en op wil staan, voel ik het helderder worden in mijn lichaam, en komt er een gevoel van vrede en rust over me heen. Ik zit in een mooie tuin vol bloemen in de mooiste vormen en kleuren. Als mijn longen zich vullen met lucht en ik diep in- en uitadem, zie ik dat de bloemen groter en kleiner worden. Het is alsof ik uit mijn lichaam treed en door de bloemen en planten vlieg. Soms kan ik ze met mijn neus aanraken, zo dichtbij kom ik. Prachtig, hoe ze er vanbinnen uitzien, sommige zelfs met meerdere kleuren. Langzaam komt er stralend wit licht, zo wit, maar het doet niet zeer aan je ogen, ik kan er gewoon naar kijken. Ik zie figuren bewegen in het licht, mannen of vrouwen. Ze zijn net iets minder wit dan het licht en ze bewegen, anders had ik ze niet gezien. Het verwarmt mijn lichaam van top tot teen, ik moet er gewoon van lachen. Zo word ik wakker, met tranen van vreugde.

Nu weet ik het zeker: ik wil alles weer oppakken. Reiki heeft allemaal te maken met de bewustwording van energieën. Als je weet dat alles uit energie bestaat, kun je het ook leren sturen. Als het me niet lukt om te slapen g ik op mijn rug liggen en leg beide handen in mijn liezen. Ik stel me voor dat er vanuit de ruimte licht via mijn kruin naar binnen stroomt, door mijn nek, mijn armen en mijn handen naar mijn liezen, benen en voeten. In gedachten laat ik wortels van licht als een boom uit mijn voeten groeien, om diep de aarde in te groeien en langs dezelfde weg weer terug de ruimte in. Ik adem rustig in en uit. Voor mij staat vast dat ik nu een nieuwe uitdaging begin: een nieuw boek over dromen. Maar de grootste uitdaging wordt om een eigen Reikipraktijk te beginnen. Mijn toekomst straalt me tegemoet.

Deel deze pagina

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.