Interviews op tv

Ik word steeds vaker gevraagd om op het podium en op tv mijn verhaal te doen, onder andere door TV Rijnmond met Dieuwertje Blok. Zij komen me op mijn werk filmen. Ik heb het er best moeilijk mee; ik ben niet meer dan een autopoetser, tegenwoordig noemen ze het wagenparkbeheerder, omdat ik ook auto’s ophaal en naar de garage breng. Liever zou ik ander werk willen doen, maar de keuze is niet groot voor mij omdat ik geen diploma’s heb.

De tv-ploeg is binnen en ik moet ze ophalen. Onderweg doe ik nog een schietgebedje. Voor ik het besef zijn we druk aan het filmen. Na drie uur staat het erop, nu moet ik ook nog naar school met dezelfde ploeg. De meeste klasgenoten willen niet worden gefilmd en maar een paar vinden het goed, zolang ze maar geen vragen hoeven te beantwoorden. Net genoeg om het toch te filmen.

“Waarom hebben zij er zoveel moeite mee?” vraagt de filmploeg mij.

“De angst is groot om ontdekt te worden door mensen uit de buurt of door familie. Het is ook heel moeilijk om mensen te motiveren om naar school te gaan. Laaggeletterdheid is een groot taboe en iedereen denkt dat die de enige is. Iedere laaggeletterde is ermee gepest. Ik deed ook mijn best om zo min mogelijk op te vallen. Dat ging mij met de jaren steeds beter af. Het nadeel daarvan is dat je angst dat iemand erachter komt steeds groter wordt. Maar sinds ik naar school ga, gaat het steeds beter met me.”

Ik vertel niet eens hoeveel moeite ik heb om die angst en mijn overtuiging dat ik dom ben kwijt te raken. Dat zit zo diep, dat ik denk dat ik daar nooit vanaf kom.

Ze blijven maar vragen stellen, maar doordat ik moe ben kan ik me steeds minder concentreren. Mijn gedachten dwalen af, waardoor ik de vraag niet goed versta. Direct voel ik de paniek opkomen. Ik zeg er niets over, maar doe wat ik altijd heb gedaan in zo’n situatie: bluffen in de overlevingsmodus. Er komt in een sneltreinvaart allerlei onzin uit, in de hoop dat ik ermee wegkom. Ik zie ze vol verbazing naar me kijken, er valt een stilte. Met een stalen gezicht blijf ik ze aankijken. Dieuwertje stottert ervan en vraagt: “Welke boodschap heb jij voor laaggeletterde mensen die nog niet naar school zijn gegaan?”

Die vraag begrijp ik weer en ik antwoord: “Alsjeblieft, stop met jezelf te kwellen, je kan het echt leren, je hoef alleen maar naar school te gaan. De mensen zijn niet meer zoals vroeger, je wordt niet meer gepest, maar juist goed geholpen. Als ik het kan, kan jij het ook!”

“Nu wil ik je eindelijk wel aan het werk zien!”

Ik lach opgelucht en samen lopen we door de garage naar mijn werkplek. Ik leg uit hoe het allemaal werkt. Tot mijn verbazing wil Dieuwertje ook de auto wassen en trekt de borstel uit mijn handen. De geluidsman en cameraman beginnen hard te lachen. Ze volgen haar op de voet. Dan stoppen ze met filmen en zeggen op een plagerige toon: “Nog een keer, Dieuwertje, het staat er nog niet goed op.”

Zij heeft er geen enkele moeite mee, met een blos op haar wangen boent ze enthousiast door. “Prachtig Koos, wat een leuk werk heb jij. Ik vind het heerlijk.”

“Nou dat zou zomaar je nieuwe baan kunnen zijn!” roep ik lachend.

Met een joviale groet nemen we afscheid. Ze zijn dik tevreden. Een week later belt TV Rijnmond weer. Of ik zin heb om als interviewer met hen samen te werken aan een project in Rotterdam. Het zijn werknemers van het afvalbedrijf Irado. Ik schrik ervan en toch voel ik me gevleid. “Denken jullie dat ik dat wel aankan?”

“Maak je geen zorgen, wij hebben jou gekozen omdat je het zo goed doet. Jij kan naar onze mening de beste vragen stellen, omdat jij juist die ervaring hebt.”

Voor het eerst ga ik iemand interviewen in plaats van dat de vragen aan mij worden gesteld. Omdat ik de weg niet weet, brengt Edith me met de auto. Dat doet ze ook omdat de regisseur heeft gevraagd of ik ten minste drie sets kleding wil meenemen. Ik begrijp niet waarom. De cameraman bekijkt kritisch mijn kleding, want hij wil kleding die een rustig beeld geeft op het scherm, dus geen streepjes of ruitjes. Nu snap ik het. Er gaat nog een kam door mijn haar, een doekje tegen het glimmen en klaar is Koos.

Ik houd de filmploeg goed in de gaten, anders verdwaal ik hier. Dat is wel het laatste wat ik wil. Ik ben altijd bang dat ik ergens terechtkom waar ik niet thuishoor. Die achterdocht in de ogen van de mensen die ik dan tegenkom. Ze lopen dan ineens mee alsof ik een spion ben of een inbreker.

Het team bespreekt het draaiboek. De bedoeling is dat ik alle vragen stel, ik mag ze zelf bedenken. Mocht het niet goed genoeg zijn, dan krijg ik vragen op een papiertje. Met mijn gedachten ben ik alweer onderweg naar huis. Waar ben ik aan begonnen? Nu is het te laat en kan ik niet meer terug. Ik begin maar met een makkelijke vraag: “Hoe heet jij?”

“Petra.”

“Waar zijn wij hier?”

“Wij zijn op de sociale werkplaats in Rotterdam.”

Ik schud de vragen uit mijn mouw en het interview is snel voorbij. De volgende is een man, hij gaat zitten en stelt zich voor als Nico. Precies op dat moment gaat er een alarm af in het gebouw. Ik wil zo snel mogelijk naar buiten rennen, de filmploeg lacht: “Rustig Koos, het is pauze.”

Daar zit ik dan met een rode biet, wat een afgang. Maar de regisseuse dacht precies hetzelfde en wilde ook naar buiten rennen. Binnen twee minuten is de kantine vol mensen.

Nico staat op en loopt zonder wat te zeggen weg. De regisseuse gaat erachteraan. Ik kijk naar de cameraman, ook hij is verbaasd. Heb ik wat verkeerds gedaan, of vindt hij mij bedreigend? Is het dan niet beter dat ik ermee stop? De geluidsman heeft het in de gaten en zegt: “Koos, het ligt niet aan jou, hoor. Herken je het nog, die angst om het openbaar te maken en te zeggen dat je niet goed kon lezen en schrijven?”

“Ik ben bang dat ik het niet goed heb gedaan.”

“Jij doet het prima. Gewoon doorgaan met wat je doet.”

De regisseuse komt terug en zegt: “Hij schrok van zijn collega’s en ging er gelijk vandoor, omdat hij bang was om gepest te worden dat hij niet goed kan lezen en schrijven. Ik heb hem voorgesteld om het in een kamertje te doen, maar hij wil het niet meer. We gaan het volgende interview beginnen. Ik ga haar even halen.”

Ze komt even later met een jongedame terug die in een rolstoel zit. Ze heeft een stralende glimlach. Er loopt ook een jongeman achter haar aan: haar vriend. Vooraf praten wij eerst nog even om aan elkaar te wennen. Zo voorzichtig als ik kan, stel ik toch de vraag: “Mag ik je vragen hoe het voor jou was, je laaggeletterdheid en je handicap?”

“Ja hoor, dat vind ik helemaal niet erg.”

“De camera loopt!”

“Hoe komt het dat je niet goed kon lezen en schrijven?”

“Ik heb het heel lastig gehad op school, was vaak ziek, daardoor miste ik veel en raakte ik te ver achter.”

“Hoe het is om met een handicap niet goed te kunnen lezen en schrijven?”

“Het is heel moeilijk, vooral met medicijnen, ik begrijp er niets van en word er heel onzeker van.”

“Hoe ben jij aan een cursus Nederlands begonnen?”

“Ik hoorde dat er een cursus Nederlands werd gegeven hier op het werk. Ik heb een lieve begeleider en heb het meteen gevraagd of ik ook op cursus mocht. Hij vond het een goed idee. Nu kan ik veel beter voor mezelf zorgen omdat ik alles begrijp. Ik mag zelfs binnenkort op mijzelf gaan wonen.”

Het is een heerlijk interview. Ik vind het nu helemaal geweldig om te doen. Het gaat vanzelf, of ik nooit wat anders gedaan heb. Haar vriend is de volgende en de laatste. Hem vraag ik wat hij allemaal gedaan heeft.

“Ik heb heel lang ander werk gedaan, ik ben jarenlang postbode geweest.”

“Postbode, hoe kan dat nou? Je kon toch niet lezen of schrijven?”

Ik weet zelf nog goed hoe het was om straatnaamborden te lezen als ik ergens moest zijn. Ik durfde amper stil te staan om ze te lezen. Ik was bang dat mensen het zouden merken. Hoe moeilijk moet het dan zijn om postbode te zijn als je helemaal niet kunt lezen en schrijven?

“Zo moeilijk is het nu ook weer niet hoor, ik pakte een brief en keek naar de letters die op het straatnaambord stonden en ik vergeleek de letters met de letters op de envelop. De nummers kon ik wel makkelijk lezen.”

“Maar dat kost toch heel veel tijd?”

“Ik was daar heel snel in en altijd op tijd klaar.”

“Waarom wil je nog beter leren lezen en schrijven?”

“Omdat ik mij binnenkort ga verloven en ik wil beter werk krijgen binnen dit bedrijf, dan verdien ik meer dan nu en kan ik goed voor mijn vriendin zorgen. Wij willen gaan samenwonen.”

Ik krijg na afloop van de interviews een dvd toegestuurd, als het binnenkomt laat ik vol trots Edith de reportage zien. Maar het dvd’tje is beschadigd. Ik heb nog geprobeerd om een andere dvd te krijgen, maar het is me niet gelukt.

Later krijg ik nog een interview met de directeur van de Roteb Rotterdam en met een paar docenten van het ROC. Het heeft mijn zelfvertrouwen weer een flinke boost gegeven.

Vanavond ga ik als ambassadeur naar een chic restaurant. Er komen mensen die hoog op de ladder staan in de maatschappij. De bestuurder van de tram vertelt hoe ik moet lopen. Ik ben er zoals gewoonlijk een uur te vroeg, omdat ik nooit goed de weg weet en ook nog eens nachtblind. Soms heb ik gewoon geluk en loop ik meteen de goed richting op. Ik wil er zeker van zijn dat ik niet te laat kom.

Dan zie ik de buitenverlichting van een restaurant, hier moet ik zijn. Ze wijzen me aan welke tafel ik kan gaan zitten. Op een naambordje staat ‘Koos Vervoort’. Na een halfuur komen de eerste gasten binnenlopen. Het geeft me wel een goed gevoel, maar toch droom ik ervan dat ik aan zo’n tafel mag zitten in een andere rol dan ambassadeur. Zou ik nog een goede schrijver kunnen worden? Voorlopig kan ik in elk geval mensen die laaggeletterd zijn uitleggen hoe het je leven kan veranderen als je leert lezen en schrijven. Er komen een man en een deftige vrouw bij mij aan tafel zitten. Ze stelt zich voor als voormalig directeur van het warenhuis Termeulen Rotterdam.

“Gelukkig hebben wij het net nog op tijd verkocht,” vertelt ze trots. “En wie bent u en wat is uw rol vanavond?”

“Ik ben ambassadeur voor de stichting Lezen en Schrijven.” Ik kijk nog steeds erg tegen mensen op. Ze stelt allerlei vragen. Ik vertel haar de verhalen van andere ambassadeurs, anders kent iedereen mijn verhaal al voor ik gesproken heb.

Dan worden wij onderbroken door de komst van de prinses. Iedereen staat op als ze binnenkomt. De prinses praat over laaggeletterdheid en wat het met mensen doet. Ze is zo gedreven in haar boodschap dat er even een stilte valt voor het applaus volgt. Nu word ik naar voren geroepen. Ik vertel mijn verhaal. Deze keer heb ik het ook over de toekomst voor laaggeletterden; die is naar mijn mening nog te beperkt: we kunnen niet goed doorpakken naar bijvoorbeeld de open universiteit en dan daar met Nederlands verder, want dat kunnen we niet bijhouden. De vraag is hoe lang ik nog naar school mag van de gemeente. Ik ben al twee keer met een behoorlijk aantal mensen op straat gezet, omdat er geen geld meer voor ons was. En de nieuwe regels zijn zelfs dat je niet langer dan drie jaar naar school mag. Maar dan heb je net je draai gevonden, omdat je steeds bezig bent om je zelfbeeld te veranderen. Drie jaar is bovendien geen drie jaar, maar slechts vier uurtjes in de week. Terwijl wij meer tijd en aandacht nodig hebben dan kinderen op de basisschool, waar ze veel intensiever met taal bezig zijn.

Ik wil zo graag meer leren, omdat het ook vrijheid en zelfstandigheid met zich meebrengt. De ene na de andere vraag wordt gesteld. Mijn verhaal van de appel geeft een schok door de zaal. Als ik klaar ben volgt een daverend applaus. De prinses zit weer met tranen in haar ogen. Na het eten komt ze naar me toe om me te bedanken: “Jij kan zo mooi praten, Koos. Ik ben echt trots op je. Je moet er toch eens wat mee gaan doen. Ik gun het jou zo en ik zie ook hoe je groeit. Dankjewel dat je met mij deze avond je verhaal hebt willen delen.”

Ik weet niet hoe laat de laatste tram rijdt en waar de halte is, zenuwachtig vraag ik de tijd. Ik heb geluk en ik hoef me niet te haasten, want ik krijg een lift aangeboden door een echtpaar uit Schiedam. Ze zijn trots dat ik bij hen in de auto zit.

Ik wil zeker ook aan mensen in de politiek vertellen dat je als laaggeletterde niet binnen een paar jaar alles hebt opgelost. Telkens als ik denk ‘ik ben er’, kom ik erachter dat er nog veel meer is en dat ik nog veel te weinig weet. Het besef dat ik nog zoveel heb in te halen wordt groter, naarmate ik meer leer. Daarnaast wordt ook mijn blik op de wereld steeds groter, ik heb nog zoveel te ontdekken. In ieder geval wil ik verder met schrijven.

Niet veel later kom ik de prinses weer tegen in de Week van de Alfabetisering en een paar maanden later dragen mensen bij de Stichting Lezen en Schrijven mij voor voor de persoonlijkheidsprijs vanwege mijn inzet als ambassadeur. Ik moet familie, vrienden en collega’s vragen of ze op me willen stemmen. Tot mijn verbazing kom ik erdoorheen en zit ik in de finale in Duinrell. Ik mag vier mensen meenemen. De meeste van mijn broers en zussen werken, behalve Jolanda en haar vriend Rien. Ik vraag of ze met ons mee willen naar Duinrell.

Het is een prachtige dag en druk als wij aankomen. Mijn lichaam en mijn gedachten heb ik niet meer in de hand. Ik merk dat het lopen zelfs niet op een normale manier gaat, zo tril ik. Ik moet alles uit de kast halen om vooruit te komen. Ik hoor mijn naam roepen, het zijn de mensen van Stichting Lezen en Schrijven. Met open armen worden wij ontvangen: “Hoe gaat het Koos? Fijn om jou weer te zien.”

“Het gaat goed, maar ik ben wel gespannen.”

“Maak jij je nou maar geen zorgen, ga lekker genieten in het park en dan zien wij je later wel op het podium.”

Ik zie hoe druk het is op het podium met al die mensen. Het wakkert de stress aan, mijn zintuigen slaan op tilt en ik heb niets meer onder controle. We krijgen een tasje met een routebeschrijving van het park en wat eten. In het park gaan we verschillende attracties in, daardoor wordt de stress wat minder. Ik kom ook heel veel andere ambassadeurs tegen, ik kan niet doorlopen zonder een praatje.

“Zo Koos, wie kent jou niet?” vraagt Rien verbaasd, “Het is niet te geloven.”

“Nou, dat val wel mee, het komt doordat er een hoop mensen van de Stichting Lezen en Schrijven lopen,” antwoord ik verlegen.

“Ik vind het eigenlijk wel leuk om te zien hoe bekend jij bent.”

Ik zoek een uitweg, omdat ik daar niet mee om kan gaan: “Kom, dan gaan wij eens verder kijken wat er nog meer te beleven is. Dan kunnen wij ook even naar dat podium zoeken.”

Na een uur hebben we eindelijk het podium gevonden. Op het grasveld worden we onthaald door Ria, de schrijfster en uitgever van mijn boekje. Eindelijk word ik verzocht om op het podium plaats te nemen. Edith kan niet naast me zitten, daar is ze niet over te spreken. Trillend zit ik naast mijn tegenstandster, die ook een zeer grote kans maakt. Ze zegt: “Sorry Koos, maar helaas moet ik je teleurstellen. Ik ga het van jou winnen.”

“Dan heb je het dik verdiend, moet ik je alvast feliciteren?” vraag ik.

“Nee joh, ik maak maar een grapje.”

Tot mijn verbazing heb ik nog fans op het veld ook, ze komen naar me toe om me aan te moedigen. Nu heb ik maar één gedachte: laat het snel afgelopen zijn.

De prinses komt op en roept de ene winnaar na de andere op, dan komt de categorie waar ik in zit. Ze begint zonder te verraden wie de winnaar is. “Ik weet,” zeg ze, “als ik zijn naam roep, dan zal hij wel een traantje weg pinken.” En dan noemt ze mijn naam.

Mijn tegenstandster feliciteert me, ze geeft me zelfs een duw en zegt dat ik op moet. Trillend loop ik naar de plek achter het podium. Dit heb ik zelfs niet durven dromen: om hier te staan als winnaar. Ik zie Ali B staan, ik word omhelst door Tania Kross en er staan nog meer sterren. Dan word ik het podium opgetrokken. Daar sta ik dan weer oog in oog met Prinses Laurentien. Yvon Jaspers stelt een paar vragen en ik zeg maar wat in het wilde weg. De prinses ziet hoe moeilijk ik het heb en wrijft over mijn rug. Dan komt Ali B het podium op en mag ik met een prachtig beeldje plaatsnemen naast de andere winnaars. Als het afgelopen is, wil iedereen met mij op de foto.

Wat kan een mensenleven toch veranderen. Kort geleden was ik nog een bankhanger, die alleen maar tv keek en computerspellen speelde. Kijk nu eens waar ik sta en wat ik in mijn handen houd! Een prachtig beeld en een cheque om aan goede doelen te geven.

Later vraag ik of ik zelf dat goede doel mag zijn; ik wil mezelf ontwikkelen. Ze vinden het een fantastisch idee. Ik koop een laptop en ga op schildercursus. Ik haal boeken in huis over moestuinen en lezen en schrijven en koop nog wat andere studieboeken. Naar het beeldje kijk ik iedere dag met een glimlach. Wie had dat ooit gedacht. Ik heb het gevoel dat ik er nog niet ben, maar mijn zelfvertrouwen neemt met de dag toe.

Ik ben eerst onder grote druk van Edith taalonderwijs gaan volgen, maar nu heb ik er zelfs plezier in.

Deel deze pagina

3 gedachtes over “Interviews op tv”

  1. Ha ha Koos, jij dom?
    Jij hebt inzicht in zaken waar de meeste mensen in hun hele leven nog geen fractie van zullen kunnen begrijpen.
    Bovendien kun je inmiddels uitstekend lezen en je gedachten niet alleen prima onder woorden brengen maar ook in beeld uitdrukken.
    Jij dom? Nee, ik zou zeggen, het omgekeerde. Het is eerder de stupiditeit van de eenvoud waar jij je nek over breekt.

  2. Het gaat goed zo Koos.! 😉 Je bent hardstikke belangrijk voor al die mensen die nog niet kunnen lezen.
    een aardig mens ook Diewertje, heb ik altijd al gevonden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.