Internaat, deel 2

Ik hoor de schoolbel, als een haas ga ik naar de les voor handenarbeid, maar ik ben net te laat. Als ik de deur open doe, slaat de leraar de deur weer met een klap voor mijn neus dicht. Ik klop netjes op de deur en doe hem nog een keer open. Dan gooit hij een hamer naar me toe, die ik nog net kan ontwijken.

Direct daarna zie ik een beitel op me afkomen, maar nu ben ik voorbereid en ik duik direct weg. Snel trek ik de deur dicht en ga naar de huiskamer. Mijn hart klopt in mijn keel. Altijd als volwassenen dat soort dingen doen, zie ik de donkere wolken aankomen. Ik zit in grote problemen, ik zal wel gestraft worden dat ik te laat was. Op dat moment stapt meneer van der Poel binnen: “Waarom ben je niet op handarbeid?”

Ik vertel hem wat er is gebeurd.

“Hoe komt het dan dat je te laat was?”

“Ik moet voor de konijnen van meneer Bol zorgen.”

Meneer van der Poel twijfelt niet aan me. “Als je dat hebt afgesproken, moeten we zorgen dat je genoeg tijd hebt, zodat je niet te laat komt voor je lessen. We moeten voor jou iets regelen. Ik leg het wel uit aan je handarbeidleraar. Hou jij je maar aan je belofte.”

Als ik in de groep kom bij de volgende les, heeft iedereen het over de handenarbeidleraar. Hij is in een dwangbuis afgevoerd. Het blijkt dat hij een schroevendraaier naar een jongen heeft gegooid die wel raak was. De schroevendraaier kwam in zijn borst terecht en hij is zwaargewond het ziekenhuis ingegaan. Daarna is iedereen gillend de klas uitgelopen. Ze hebben iemand van de leiding erbij gehaald om met hem te praten. Toen begon hij weer met gereedschap te gooien – niemand kon bij hem in de buurt komen. De politie heeft hem uiteindelijk overmeesterd. Nu krijgen we een andere handarbeidleraar.

Elke week krijg ik een brief van ma, ze schrijft dat er een man van Feyenoord, de échte, aan de deur is geweest om te vragen of Henk daar mag komen voetballen. Hij heeft Henk zien voetballen bij Wilton Fijenoord. Ma vond het goed, maar vertelde hem wel dat ze te arm is om voetbalspullen te kopen. Dus het ging allemaal niet door.

Ook in het tehuis spelen ze voetbal. Op een dag loopt een sportleraar me voorbij en vraagt of ik mee wil doen. Ik speel zo goed, dat ik word opgesteld in een groot voetbaltoernooi. Drie weken later gaan we naar Groningen om te voetballen. Ik heb geen idee wat me te wachten staat; ik heb nog nooit echt op sport gezeten of een wedstrijd gespeeld. Laat staan dat ik in Groningen ben geweest. Voor het eerst van mijn leven heb ik voetbalkleding: een sportbroek, een shirt, voetbalsokken en echte voetbalschoenen. Het tehuis heeft alle jongens een tenue te leen gegeven. Na het toernooi moeten we het wel teruggeven. Maar ik speel meteen een stuk beter!

Tijdens het toernooi laat ik geen bal door mijn verdediging. Ik hoor twee mannen langs de lijn met elkaar te praten. Eén zegt wijzend naar mij: “Die moet ik hebben!”

De andere antwoordt: “Die kinderen zijn van een tehuis en daar krijg je ze niet weg. En anders was je te laat geweest, dan had ik hem al weggekaapt!”

We worden geen kampioen, maar halen wel de derde plaats, in de 75 jaar van haar bestaan is het internaat niet zo ver gekomen. Ik ben beretrots, zeker twee weken lang ben ik stikgelukkig. Ter ere van onze prestatie geeft de leiding zelfs een echte barbecue. Als ik al dat eten zie, ga ik los, ik eet me helemaal klem!

Toch ben ik doodsbang dat de andere kinderen mijn schoolwerk zien en me dom zullen vinden. Dan willen ze vast ook niet meer met me spelen, net als thuis. Het is dat ma me elke week een brief schrijft, waardoor ik veel aan thuis blijf denken. Ik sta vaak midden in de nacht voor het grote raam in de slaapzaal naar buiten te kijken, zoekend naar antwoorden.

In de zomer gaan we met het internaat op vakantie naar Schiermonnikoog. Na het eten mogen we naar het strand. We mogen de groep niet verlaten. Helaas, we zouden niets liever willen dan een sprint door de duinen trekken. Als we protesteren legt de leiding het uit: naast het looppad stikt het van de konijnenholen. Als je daar niet mee uitkijkt, heb je zo een gebroken been. We zuchten en volgen braaf de leiding. Inderdaad zitten er veel gaten in de grond, terwijl er geen konijn te zien is, in de verte ook niet.

konijn

Op de terugweg begrijp ik het pas. Wanneer je met een groep loopt zijn de konijnen bang. Maar als je achterblijft komen alle dieren weer tevoorschijn. Snel ga ik achter een paar bosjes zitten en verroer me niet. Niemand heeft het in de gaten. Als ze allemaal uit het zicht zijn, hoor ik iets zacht stampen. Een groot zwart konijn komt tevoorschijn en dan nog één en nog één. Binnen korte tijd zitten er wel honderd konijnen om me heen. Waar ik ook kijk: overal zie ik konijnen. Ze zijn nu helemaal niet schuw meer. Mijn hart klopt van de opwinding, maar mijn benen doen pijn. Ik zit al een paar minuten op mijn hurken en de afstand tussen mij en de groep wordt steeds groter. Als ze mij missen, ben ik zelf het haasje. Snel sta ik op, de konijnen stuiven weg. Net te laat kom ik aan, de deur is al dicht. Direct moet ik mij verantwoorden bij meneer van de Poel. Bij hem doe ik mijn verhaal. Vol ongeloof kijkt hij naar me: “Moet ik dit geloven?”

Twee dagen later roept meneer van der Poel mij apart. Hij klopt op mijn schouder en zegt: “Bedankt voor wat je met mij hebt gedeeld.”

Even weet ik niet wat hij bedoelt, tot hij over de konijnen begint: “Je hebt niet gelogen. Ik heb hetzelfde gedaan als jij. Ik heb nog nooit zoveel konijnen bij elkaar gezien!”

Op de lagere school heb ik een paar keer met een psycholoog gepraat. Daar is nooit wat uitgekomen, behalve dat ik anders was dan andere kinderen van mijn klas. Ik voelde me niet op mijn gemak en ik durfde niet echt te praten over hoe ik over alles dacht. Ik mankeerde dus op het oog niets.

Maar nu wel. De psycholoog heeft zwart haar en een zwarte bril. Hij komt vriendelijk over en hij meent wat hij zegt: “Ze hebben mij gevraagd of ik een praatje met jou wil maken, omdat ze niet echt weten wie je nou eigenlijk bent. Vooral niet of je hier wel thuis hoort. Nu ik je zie, ben ik erg geïnteresseerd in je.

We zijn hier in een onveilige omgeving voor jou. Jij hebt veel aandacht nodig om je vertrouwen te geven. Dat betekent dat ik eerst bergen moet verzetten. Daar heb ik gewoon de tijd niet voor, hoe graag ik het ook zou willen. Het is de afstand, de tijd en de omgeving die ons beiden nekt. Je hoeft niet bang te zijn, ik ga ze niet vertellen wat ik van je vind. Als jij je niet veilig voelt, gaat het niet door. Wat vind jij?”

Ik haal alleen mijn schouders op en doe alsof ik hem niet begrijp.

“Daar was ik al bang voor. Ik vind het heel erg, omdat ik je graag beter zou willen leren kennen. Hier krijg ik slapeloze nachten van. Ik heb zo uitgekeken om te werken met iemand zoals jij. Dat zou voor mij een zeer grote eer zijn.”

Ik haal mijn schouders nog eens op en kijk hem aan. Ik probeer hem te doorgronden, maar het lukt niet, omdat ik niet wil dat hij doorheeft dat ik meer zie dan anderen. Ik moet voorzichtig zijn, want ik denk aan de woorden van ma: “Denk erom, als je zegt wat je ziet en voelt tegen vreemden, word je opgesloten en zeggen ze dat je gek bent.”

Opgesloten zit ik nu al, maar hoe erg zou het zijn om in een gekkenhuis te zitten! Mijn tante heeft er ook gezeten toen ze overspannen was. Ze raakte met iemand aan de praat die haar kleren stond te strijken. Zij zei tegen mijn tante “Ik ben helemaal niet gek.” Waarop mijn tante zei: “Nee, ik zie ook niets verkeerds aan jou.” Maar ineens voelde ze een heet strijkijzer tegen haar kont. Die was ernstig verbrand. Ik moet er niet aan denken.

Hoe komt deze psychiater eigenlijk aan al die informatie? Zou meneer van der Poel, onze begeleider, mij beter kennen dan ik wil? Belangrijker: meent deze man wel echt wat hij zegt? Ik begin eraan te twijfelen en moet veel moeite doen om niet te gaan praten. Ik weet nog steeds niet hoe ik me in het tehuis moet gedragen. Soms word ik uitgedaagd en beland ik in de problemen. Het beste is alleen mijn schouders op te halen.

Na drie kwartier mag ik weer vertrekken. Hij heeft wel indruk op mij gemaakt. Het liefste zou ik hem willen vertellen hoe eenzaam ik me voel. Mijn leeftijdgenoten begrijpen er niets van, de meesten zijn wilde honden die om zich heen bijten. De volwassenen om mij heen zien het wel dat ik anders ben, maar gedragen zich net zo en reageren met bruut geweld. Ze begrijpen mij niet en ik hen al helemaal niet. Zelfs thuis voel ik me overbodig en door niemand begrepen. Ik ben een puzzelstukje dat nergens past.

Zal ik teruggaan en hem vragen of hij niet toch nog een keertje met mij wil praten? Nee, dat is te laat en dan komt iedereen erachter. Ik moet ervan slikken, alsof ik een ontstoken keel heb. Behoedzaam kijk ik om mij heen. Ik wil niet dat iemand er ook maar een glimp van ziet. Ik kan mijn lippen niet meer in bedwang houden en snak naar lucht. Ik hoop dat ik ooit nog z’n man mag tegenkomen als die psycholoog. Dan vertel ik wel wat ik zie, denk en meemaak.

Ik ga stiekem van het afgesloten terrein af. Ik kijk omhoog of ik misschien een teken zie van de Allergrootste. Ik zet mijn hart helemaal open en vraag God om hulp. Maar ik zie alleen maar sterren en duisternis.

Duisternis, o nee! Snel terug naar de groep. Meneer van der Poel heeft dienst, daar heb ik geluk mee. Hij kijkt me streng aan: “Waar bleef je? Wij maakten ons zorgen. Ga maar eerst eten, daarna praten wij wel in mijn kantoortje.”

Toch zie ik ook dat hij zich afvraagt wat er aan de hand is met mij. Maar dat kan hij niet begrijpen. Wat moet ik hem zeggen? En wat heeft de psycholoog gezegd? Gespannen klop ik op zijn deur.

Hij gebaart mij om te gaan zitten. “Het spijt me dat ik er een psycholoog bij heb gehaald, maar je bent zo afwezig, het lijkt wel of het steeds erger wordt en ik ben niet de enige die dat ziet. De psycholoog heeft ons gezegd dat wij je even met rust moesten laten, zodat je erover na kan denken. Wat vond je er zelf van?”

“Ik begreep hem niet zo goed.”

Hij slikt het als zoete koek. Maar een paar weken later roept hij me weer naar zijn kantoor. Hij zegt dat het tijd is om naar een ander tehuis te gaan, dichterbij huis en ook niet zo streng. Dat kan wel wezen, maar ik moet er ook naar school. Hier zijn aardig wat jongens die net zo slecht kunnen lezen en schrijven als ik en daar ken ik nog niemand.

De eenzaamheid slaat er goed in op het nieuwe internaat. Ik voel me verstoten en in de steek gelaten door meneer van der Poel. Elke avond heb ik spijt van alles wat ik verkeerd heb gedaan; de verkeerde vrienden en alles wat ik gejat heb achtervolgt me. Ik neem me voor nooit meer met dieven om te gaan, al betekent het dat ik altijd alleen zal zijn. Zo huil ik me iedere avond in slaap. Totdat ik betrapt word door de groepsleidster juffrouw Anneke. Ze neemt me in haar armen mee naar de woonkamer, waar ik voor het eerst praat over mijn gevoel. Maar niet te veel, want ik denk niet dat ze dat begrijpt.

Op het nieuwe internaat moeten we elke week brieven gaan schrijven. Daar ontdekt juffrouw Anneke hoe slecht ik daarin ben en ze probeert me oprecht te helpen. Meestal als ze wat uitlegt, zie ik haar mond bewegen, maar ik hoor niets. Toch boek ik vooruitgang. En ik kom erachter dat ik in de klas zit met veel jongens die ook niet goed kunnen schrijven. Dat is een hele opluchting.

Ik mis mijn familie en mijn buurt, maar het wordt moeilijker om naar huis te gaan naarmate ik langer in het internaat zit, want ik ben hier tenminste niet zo eenzaam als thuis. Ik heb hier zelfs nog wat vrienden. En goed te eten.

Ik krijg hier iedere week zakgeld. Ik mag een paar dubbeltjes zelf houden, daar koop ik snoep van. De rest moet op een spaarbankrekening. Aan het einde van mijn verblijf heb ik zoveel geld gespaard dat ik een paar prachtige voetbalschoenen kan kopen. Van boterzacht leer en een klein beetje op de groei. Aangezien ik niet zo snel groeide heb ik er nog jaren plezier van gehad. Het spaarbankboekje heb ik ook nog steeds.

Mijn vader laat zich ineens van een goede kant zien en komt met Henk op visite. Nog nooit ben ik zo blij geweest om hem te zien. Dat hij het toch voor me over heeft om het hele eind hiernaartoe te komen. Zelfs mijn moeder komt langs met Mies, die nu samen met mijn moeder woont. Nu begin ik te geloven dat ze toch om me geven.

Zonder dat ik het weet zijn de begeleiders en de psychologen het niet eens over mij. Hoor ik nu in een internaat of niet? Ik huil me vaak in slaap en gedraag me anders dan de andere jongens hier. Ongeveer een jaar nadat ik naar het internaat werd gestuurd, word ik ruw van mijn bed gelicht en onder de douche gezet: “Je moet de trein halen, heb je gister dan geen afscheid genomen?!”

Na het douchen kan ik nog net afscheid nemen van een paar jongens, de rest is al naar school.

In de trein naar huis vraag ik me af: willen ze me thuis nog wel terug? Maar dan krijg ik een ingeving, noem me maar gek. Er staat een fiets voor me klaar als ik thuiskom. Je krijgt geen fiets als niet iemand van je houdt. Als ik thuiskom staat die fiets er voor me, precies zoals ik me had voorgesteld. Gewoon eng. Maar mijn moeder houdt dus toch van me.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.