Gestrand

Wanneer Peter op bezoek is praten we over van alles van het leven, en ook over dromen. Ik vertel hem dat ik veel verschillende dromen en ervaringen heb. Ik geloof ook dat dromen veel meer doen. We worden op een bepaalde manier onderricht, net als op school. Alleen vergeet je het als je weer wakker wordt. Wat heb je gedroomd, en was het wel een droom? Ik ben er van kleins af aan al mee bezig. Soms heb ik het gevoel dat ik dicht bij ontknopingen zit. Ook Peter heeft er ervaring mee en hij vraagt of ik hem voorbeelden kan geven. Ik vertel hem hoe ik uittredingen ervaar.

Ik ben nog een kind en ik sta op een vreemde plek. Het is regenachtig, de straatverlichting is minimaal. Ik kijk om me heen, op zoek naar iets wat me bekend voorkomt – niets. Daar sta ik dan, in de motregen, midden op een grote, verlaten kruising. Ik voel me leeg vanbinnen en ik heb het koud. Het ergste is de eenzaamheid. In de verte zie ik wat licht. Dat geeft me wat hoop, ik loop ernaartoe.

Het is een winkel. Als ik in de winkel sta, zie ik mijn spiegelbeeld in de ramen van de etalage. Ik sta alleen mijn onderbroek, verder niets. Nu word ik overspoeld door schaamte. De winkel is leeg.

“Is hier iemand? Hallo, volk!” roep ik.

Eindelijk hoor ik iemand komen. Aan het geluid te horen is het een man.

“Wat kan ik voor je doen? Ben je niet wat te fris gekleed?”

“Ik weet niet hoe ik hier terecht ben gekomen. Het enige wat ik weet is dat ik graag naar huis wil, kunt u me helpen?”

“Ja, ik denk dat ik wel weet hoe het zit. Je bent met je astraallichaam op pad. Je ben niet de eerste die dat overkomt. Drink en eet eerst maar wat. Dan praten we wel verder.”

“Meneer, ik sta hier in mijn onderbroek en ik heb geen cent te makken.”

“Dat geef niet, het komt wel goed.”

Tijdens het eten kom ik weer een beetje tot mezelf. Het vreemde is dat ik niets proef. Het lijkt wel of ik mijn smaak verloren ben. Ik zeg niets.

De man brengt met tot rust: “Ontspan je en let op je ademhaling. Adem rustig in en rustig weer uit.”

Dat doe ik. Ineens zie mezelf weer terug thuis, voordat dit mij overkwam, maar mijn lichaam blijft in de winkel.

Ik zie mezelf naar buiten gaan, dan word ik zo licht als een veertje dat door de lucht vliegt. Ik probeer uit alle macht te landen, maar wat ik ook probeer, het lukt me niet. Alles wordt donker om me heen. Straks kom ik nog in de ruimte terecht en wat dan? Ik moet proberen met de luchtstroom mee te werken als een vogel. Eerst ga ik nog hoger, dan vlieg ik met de luchtstroom naar beneden. Ik kom op een kruising terecht en nu weet ik weer wat er is gebeurd. Door mijn paniek was ik het vergeten.

“Nu weet ik wat er gebeurd is. De vraag is nu: wat moet ik doen om weer thuis te komen?”

“Dat moet vanzelf gaan, je bent te vaak opstap geweest zonder je lichaam. Laat dit een wijze les voor je zijn. Ik heb vaker jongens zoals jij hier gehad die na een jaar of twee ineens verdwenen zijn uit hun oude leven.”

Ik krijg een T-shirt en een korte broek. Twee jaar hier blijven waar ik niemand ken, dat kan toch niet waar zijn? “Ik ga even naar buiten om het op een rijtje te zetten.”

“Ik begrijp het, als je terugkomt kan je voor mij werken tot je weer naar huis gaat.”

Dit keer ben ik blij om buiten alleen te zijn. Een stukje verderop ga ik een hoekje zitten en begin te snikken. Ik ben echt boos op mezelf en voel me alleen. Hoe heb ik dit kunnen laten gebeuren? Toch te veel uitgetreden. Nu moet ik waarschijnlijk twee jaar hier blijven. Wat een zware straf. Straks wordt iedereen thuis wakker behalve ik. Dan gaan ze een dokter bellen omdat ik er niet ben. Kom ik in een ziekenhuis te liggen, moet ik aan de zuurstof, die na een paar maanden stopgezet wordt. Terwijl ik niet dood ben, maar hier, op een vergeten plaats zit. Ik bid en beloof dat ik voorlopig niet meer uit mijn lichaam treed. Snikkend word ik wakker. Ik kijk om me heen en zie mijn oude, vertrouwde zolderkamer. Nu slaat mijn verdriet om in tranen van geluk. Mijn broers en zusjes slapen gelukkig nog. Ik vertel ze niets, want ze zouden het zwak vinden en me ermee plagen, omdat ze het toch niet snappen. En uiteindelijk was het gelukkig maar een droom. Maar ik was wel heel helder in mijn hoofd bij de uittreding.

Iedere avond voor ik ga slapen waarschuw ik mezelf om niet zonder mijn lichaam op stap te gaan. Het wordt een mantra die ik elke avond uitspreek.

Peter is onder de indruk en hij vraagt om nog een verhaal.

We dromen allemaal. In je dromen verwerk je van alles en nog wat. Wat je droomt kan door je dagelijkse leven worden beïnvloed. Je loopt, je vliegt, je zwemt: dat kan je allemaal in je dromen, heb ik al ervaren. Toch maak ik me zorgen over wat er dan kan gebeuren. Aan de andere kant, ik doe het al jaren. Waarom zou ik bang zijn? Het is altijd goed afgelopen.

Kort na de vorige droom wandel ik langs de waterkant. Nog steeds denkend hoe het kan dat je iedere nacht droomt en de dromen vaak niet kan onthouden. Is een droom wel een droom?

Uit het niets komt een man naar me toe en vraagt: “Kom je even mee? Dan kan ik je helpen.”

Met stomheid geslagen kijk ik naar de man. “Waarom? Ik ken u niet, hoe weet ik dat u te vertrouwen bent?”

“Je kent me wel, ik ben iemand die je alles leert om verder te komen in het leven.”

“Maar ik kan me niet herinneren dat ik u ken.”

“Als je met me mee komt wordt alles je wel duidelijk.”

“U maakt me echt nieuwsgierig, maar als u de boel bedondert hebben we een probleem.”

“Dat weet ik, maar ik kom je helpen, anders loop je vast.”

We naderen een museum en gaan naar binnen. Hij heeft stevig de pas erin, ik kan hem nog maar net bijhouden. Dan stopt hij bij een muur en legt zijn hand ertegenaan, waardoor een doorgang verschijnt. Hij gaat naar binnen. Behoedzaam volg ik hem. Ik zie mensen lopen en er klinkt muziek op de achtergrond. We gaan een kamer binnen. Als ik goed kijk, lijkt het wel of ik hier vaker ben geweest. Ik zie posters op de wanden en foto’s van zeedieren, zoals zeehonden. Als ik zit en hij bij me komt zitten ziet hij dat ik de ruimte begin te herkennen. De deur gaat open en er komen andere mensen binnen, oudere, maar ook jonge mensen. De gezichten komen me bekend voor. Toch ken ik hun namen niet.

“Ik heb deze gezichten eerder gezien, maar ik weet hun namen niet. Hoe komt dat?”

“Omdat je geheugen wordt gewist als je hier weggaat. Anders kan je in de moeilijkheden komen en niet meer normaal functioneren.”

“Maar wat heeft het dan voor zin om hier iets te leren en als je toch niets meer weet als je terug gaat?”

“Zo werkt het niet helemaal, je slaat alles op in je onderbewustzijn. Dan voer je uit wat je geleerd hebt in je leven.”

“Ik vind het moeilijk om daarmee om te gaan. Ik wil helemaal niet vergeten met wie ik te maken heb of wie me helpt. Je mist dan toch zoveel kennis die je juist zo nodig hebt.”

“Ik maak de regels niet, als het niet nodig zou zijn werd het niet gedaan. Als je straks wakker wordt weet je het meeste niet meer en dat is veel beter, geloof me maar. Nu gaan we verder met je toekomst. Hoe kan je het beste reageren? Dat is je nieuwe opdracht. Je docent op school gaat je de tafels bijbrengen. Eerst snap je het niet maar dan valt het kwartje.”

Ik begin te lachen, mijn docent is een draak van een vrouw en ze heeft nooit tijd voor me. Nu moet ik gaan geloven dat ze me de tafels bij gaat brengen!

Mijn begeleider vervolgt: “Kijk, daarom vergeet je wat je hier geleerd wordt. Het gaat niet om de tafels, behalve voor jou want jij vind tafels belangrijk. Maar het gaat eigenlijk om wat je docent kan leren over hoe jij leert. Je bent niet de enige met leerproblemen en zij moet leren om geduld te tonen naar haar leerlingen. Omdat zij nu het geduld niet heeft, kan ze door haar hulp aan jou zelf leren wat geduld is, en tegelijk kan jij meer zelfvertrouwen ontwikkelen. Dat geldt voor je docent ook, zij moet leren dat ze niet mag opgeven en naar andere oplossingen moet zoeken om jongens zoals jij niet aan hun lot over te laten.”

Nu begin ik opstandig te worden, waarom zou ik dit en alles wat ik hier meemaak en leer moeten vergeten? Dat wil ik helemaal niet. Ik wil er alles aan doen om dit te onthouden. Ik moet het niet vergeten, ik moet het niet vergeten, blijf ik als een mantra herhalen. Zo word ik wakker. Ik moet het niet vergeten. Ik draai me lachend om. Maar net als ik tegen mezelf wil zeggen dat ik het nog weet, weet ik het ineens niet meer. Ik weet nog wel dat ik mijn best heb gedaan het niet te vergeten, maar ik weet ineens niet meer wát.

Ik ga naar school en wat krijgen we? Tafels. Ik snap er zoals gewoonlijk geen barst van. 1×1=2, en zo vul ik alles in. Ik heb twee rijtjes af en lever mijn blaadje met de gemaakte sommen in.  De juf kijkt de sommen van de klas na. Ze geeft aan iedereen het blaadje terug, ik ben de laatste. Als ze bij mij komt zegt ze: “Jij moet even blijven zitten. Dit gaat toch echt niet gebeuren, ik laat je niet eerder gaan voor je weet hoe je de sommen moet maken.”

Ik heb honger en denk, straks kan ik niet naar een tante om nog wat te eten. Nu maar hopen dat er thuis nog wat is. Iedereen verlaat de klas en ik blijf achter. Deze keer niet voor straf, wat vaak genoeg gebeurt, maar om wat te leren. Het lijkt wel of het zo moet wezen. Heb ik dit niet eerder meegemaakt?

De juf pakt een stoel en komt bij me zitten. “Je sommen zijn allemaal fout.” Ze probeert het me uit te leggen maar ik snap er nog steeds geen barst van.

“Wacht even,” Ze pakt een appel uit haar tas: “Hoeveel appels heb ik hier?”

“Één appel, juffrouw.”

“Let op, ik heb hier één keer één appel. Hoeveel appels heb ik dan?”

“Nog steeds één appel.”

“Juist. Dus één keer één appel is?”

“Één appel.”

Ze pakt twee potloden. “Hoeveel potloden liggen hier op tafel?”

“Twee.”

“Dus hoeveel is één keer twee potloden?”

Opeens snap ik het! Met het water in de mond en nog steeds gefocust op de appel.

“Twee!”

Ze legt er twee potloden bij. “Nu heb je twee keer twee potloden. Hoeveel is dat?”

“Vier!”

Nu maak ik de sommen opnieuw. Na een kwartier ben ik klaar. Trots breng ik het blaadje naar haar toe. Ze glimlacht en zegt: “Geen enkele fout, dat heb je goed gedaan. Nu mag je naar huis.”  

“Dank u wel juffrouw.”

Met een grote glimlach op mijn gezicht en tranen van geluk ga ik huppelend naar huis.

Ik heb eindelijk wat geleerd! Als mijn moeder vraagt waar ik was, zeg ik haar dat ik nog even op school moest blijven omdat ik de sommen niet goed gemaakt had. Vol trots geef ik haar mijn blaadje met de grote rode krul van de juffrouw.

“Mooi, goed van je, we gaan zo eten.”

“Wat eten we ma?”

“Wat de pot schaft.”

Het is gelukkig spinazie, eindelijk weer een prak. Mijn avond kan niet meer stuk. Na het eten nog even buiten spelen, dit keer vol zelfvertrouwen. Als ik naar bed ga houdt de gebeurtenis van de vorige nacht me nog steeds bezig. Tot ik weer in slaap val, want in mijn droom weet ik alles weer. Dan ben ik uit de schoolklas, zit ik zo weer in een andere klas waar ik nog het nut niet van snap. Maar de sommen kan ik maken!  

Deel deze pagina

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.