De kracht van mijn handen

Het is middag als ik in het bos loop met Katrien. Ik vind het niet gek dat ze eigenlijk al een paar maanden dood is en toch hier naast me loopt. We kijken elkaar aan, Katrien begint te kwispelen en daagt me uit om haar achterna te komen. Ik zet de achtervolging in, maar ik kan haar niet bijhouden op twee benen. Dan moet ik het maar proberen op handen en voeten. Mijn benen zijn veel langer dan mijn armen en mijn knieën zitten in de weg, dus ga ik wijder lopen. Het is ongelofelijk maar het lukt, ik ben veranderd in een hond! Met een verbaasde blik kijkt ze me aan, ze zet een tandje bij. Ik doe mijn best om haar bij te houden. Nu rennen we naast elkaar. Het geluk vliegt door mijn lichaam. We praten op een telepathische niveau, als of we nooit anders gedaan hebben.

Plots begint ze weer te versnellen om me een lesje in snelheid te geven. Ik verlies haar uit het oog. Het grote geluk dat ik nog net had, neemt af, omdat het te lang duurt. Op de grond zie ik sporen van een hond. Het enige wat ik nu kan doen is ze te volgen en hopen dat ik op het goede spoor zit. Ik hoor gehuil van wolven in de verte en geblaf van een hond. Als ik maar niet te laat kom, ik moet haar redden. Er doemen allemaal angstige beelden voor me op. Ik wil haar niet weer verliezen. De herrie komt ergens vandaan, maar door de echo van de bergen kan ik haar niet localiseren. Het geblaf en gegrom is overal om me heen. Ik begin wanhopig te worden. Ik kan nog maar één ding proberen: haar te vinden op mijn gevoel. Het is alsof er draden van energie uit mijn buik komen, die alle kanten opgaan. De draden zijn lichtgevend wit. Het is een prachtig gezicht, maar het leidt me ook af. Langzaam krijg ik beelden van dieren. Eindelijk zie ik Katrien, ik moet me haasten.

Ik ben niet gewend om met mijn bek te vechten, ik ben toch beter met mijn handen en voeten. Dus moet ik terug in mijzelf zien te veranderen. Maar zo gemakkelijk gaat dat niet, het doet pijn, vooral in mijn benen en mijn kaken. Er is niet veel tijd, de wolven staan klaar om elk moment de aanval in te zetten. Net op tijd ben ik weer mezelf en ik spring voor Katrien. Ik grom en schreeuw er flink op los en raap een stuk hout op van de grond. Nu ben ik gewapend. Vanuit mijn ooghoek zie ik een wolf op me afkomen. Met één klap sla ik hem neer, jankend kruipt hij over de grond. De roedel zet de aanval in. Dit keer is Katrien het doelwit. Met harde klappen sla ik ook die aanval af. Nu open ik de aanval en pak de leider van de roedel. Ik voel me krachtig en geef de roedel geen enkele kans om te winnen. Jankend gaan ze ervandoor, gewonde wolven achterlatend. Ik kijk naar Katrien om te zien of ze nog oké is, maar ze is door haar poten gezakt en dodelijk gewond. Huilend pak ik haar vast. Ik voel haar pijn, ik ben zo machteloos. Ze kijkt me met een verontschuldigende blik aan. Ik kan haar niet loslaten en begin te bidden. Blauw licht uit mijn handen vloeit langzaam haar lichaam in. Haar wonden genezen en haar krachten komen terug. De gewonde wolven liggen nog om ons heen. Het doet me niets. Maar Katrien kijkt me aan, gaat bij een van de wolven zitten en kijk me nog eens diep in mijn ogen met een zielige-honden-blik.

‘Hij wilde je verscheuren en nu wil je dat ik help?’

Ik leg mijn handen op zijn wonden. Zijn pijn wordt eerst nog veel heviger. Ik voel de energie door mijn handen stromen, weer ben ik onder de indruk van de kleuren die ik nooit eerder gezien heb. Ik zie hem beter worden. Om me heen ligt de rest van de achterblijvers. Ik concentreer me en zie de kleuren ook naar hen gaan. Ook zij helen. Nu staan ze allemaal weer rechtop. Nederig kijken ze me aan, alsof ze zich schamen. Rustig wandelen Katrien en ik terug naar huis. De wolven volgen ons. Ik probeer ze duidelijk te maken dat ze niet mee kunnen en in het bos moeten blijven. Maar wat ik ook probeer, ze blijven ons achterna lopen. De boeren hier zijn zeer rancuneus, dus ik kan de wolven maar beter terugbrengen naar het bos. Te laat, we zijn al gespot door een paar boeren. Ze komen met geweren aan, schreeuwend, en met steeds meer. Ik draai me om en ren terug naar het bos. Katrien en de wolven lopen voor me uit. Maar ik kan hun tempo niet bijhouden. Ze rennen steeds verder voor me uit. Maar misschien kan ik vliegen. Ik zie een omgevallen boom liggen die schuin naar boven ligt. Ik ren de stam op, en op het uiterste puntje van de stam zet ik me af en maak een duikvlucht, net alsof ik van een duikplank in het zwembad spring. De grond komt snel op me af. Ik trek al mijn spieren samen en trek mijn hoofd omhoog, om niet te pletter te vallen. Als ik op een centimeter van de grond ben, ga ik nog net op tijd de lucht in. De kogels van de boeren suizen langs mijn hoofd. Nog net zie ik Katrien en de wolven linksaf slaan, een klein bospad in. Gelukkig kan ik ze inhalen. De schreeuwende bende laat ik achter. Dieper en dieper gaan we het bos in. Hier ben ik nog nooit geweest, het lijkt wel of ik in een ander land verzeild ben geraakt. Hebben we alles gehad, begin het ook nog eens donker te worden. Maar de ogen van de wolven en Katrien geven licht. Ze komen naar me toe en beginnen met me te kroelen. Ze zijn heerlijk warm. Uitgeput ga ik erbij liggen. Ze komen zoveel mogelijk tegen me aan liggen. Eindelijk rust.

Zo word ik wakker. Jammer dat het een droom was, ik mis Katrien zo. Toch ben ik ook blij dat ik haar in mijn droom heb gezien.    

Deel deze pagina

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.