Snoep voor een duppie

Onderweg naar school bedenk ik me en ga naar een speeltuin bij ons in de buurt. Iedereen zit op school behalve ik. Na een tijdje slaat de verveling toe. Hoe laat zou het zijn? Aan een voorbijganger vraag ik de tijd, het is drie uur. “Moet jij niet naar school?”

“Nee de meester is ziek,” zeg ik. De dagen en weken gaan zo voorbij. Tot ik op een dag thuiskom: de meester is binnen en praat met ma. Nu ben ik het haasje. Ik wil naar de keuken glippen, maar ze zegt: “Zo, spijbelaar!” en ze slaat me waar de meester bij is.

Als ik ‘s avonds op bed lig, weet ik niet wat ik moet doen. Ma vertelt me keer op keer dat ik op mijn vader lijk, ik schrijf zelfs net zo slecht als hij. Maar ik drink geen bier en stink niet uit mijn mond. En ik sta zeker niet zo stom te praten. Maar onze naam is wel hetzelfde en ik voel me ook een nietsnut. Er verandert iets in me, zonder dat iemand ook maar wat in de gaten heeft. Als ik zo dom ben, en geen knip voor mijn neus waard, moet ik me ook maar zo gaan gedragen. Het maakt toch niets uit! Iedereen is tegen me. Ik ga met de hakken in het zand, word opstandig en ga met foute vrienden om. Liegen, spijbelen, stelen en vechtpartijtjes volgen, het wordt van kwaad tot erger.

Als ik spijbel kan ik mijn gedachten op een rijtje zetten en voel ik me zo vrij als een vogel. Ik kom er alleen wel achter dat ik een grote familie heb. Ik moet er wat op verzinnen, zodat ik niet gezien word. Af en toe krijg ik er flink van langs als ik thuiskom. Het park biedt oplossing. Niemand komt in het park op een doordeweekse dag.

Ik kom in een soort trance. Gedachten komen voorbij als sneltreinen op een station. Waarom ben ik hier? Ik voel me zelf opgesloten, ben ik wel echt op deze wereld? Waarom kan ik niet goed leren? En waarom zie ik dingen die anderen niet zien? Voor mij is het zo gewoon, maar voor hen niet. Waarom ik? Ik kijk naar mijn handen. Ik heb wel contact met mijn handen en toch beleef ik ze niet echt. Ik knijp in het velletje van mijn hand. Nu voel ik mijn hand wel.

Waarom ben ik zo somber? Ik wil blij zijn, maar dat lukt niet. Ik kan zelf niet eens bepalen hoe ik me voel. Ik ben veel te klein voor deze gedachtes. Maar tegelijk heb ik het gevoel alsof ik hier al eeuwen rondloop. Nu ik ben blijven zitten is de kloof nog groter geworden met de jongens uit de buurt. Ik voel me leeg.

Ik heb een dubbeltje van mijn opa gekregen. Daar koop ik altijd snoep van bij meneer de Ronde. Hij heeft een winkel op de hoek van de straat. Ik kan er hoedjesdrop voor kopen, dan heb ik het meeste. Ik kan er kauwgom voor halen, maar dan krijg ik vier pakjes en die zijn zo op. Wat ik ook erg lekker vind zijn negerzoenen. Die zijn met échte room gevuld, maar dan heb ik er maar twee. Het water loopt me in de mond.

“Hé Koos, wacht even.” roept Piet. “Waar ga jij naartoe?”

“Ik ga snoep kopen bij meneer de Ronde. Ik heb een dubbeltje gekregen.”

“Waarom ga je niet naar Kling, daar is het veel goedkoper! Er is ook meer keus, ik ga wel met je mee.” Ik laat me overhalen.

“Ik heb maar een dubbeltje, Ik kan niet met iedereen delen,” zeg ik. Thuis moet ik ook altijd delen. Piet slaat me geruststellend op mijn schouder. “Ik hoef niets.”

“De winkel is van een heel oud vrouwtje, ze noemen haar de buurtheks,” grinnikt hij.

Als we bij de hoek komen, lopen we een vriend van Piet tegen het lijf. Hij wil ook mee om snoep te kopen. Stilletjes hoop ik dat hij zelf geld heeft. Als we bijna bij de winkel zijn komen we nog iemand tegen. De snoepwinkel is klein. Overal waar ik kijk zie ik snoep: trekdrop, toverballen, kaneelstokken, stroopsoldaatjes, zuurtjes, kauwgomballen, zoethout, spekkies en honingblokken. Na lang wachten schuifelt er een kleine vrouw de winkel in. “Wie kan ik helpen?”

Piet en zijn vrienden gaan vlak voor de toonbank staan. “Wat kost de trekdrop?” roept hij.

“Vijf voor een dubbeltje.”

Ineens doen de jongens een stap achteruit en roepen in koor: “We horen bij hem!”

“We wachten wel buiten op je,” zegt Piet. Ik snap niet wat er gebeurt.

De enorme hoeveelheid snoep leidt me zo af dat ik er niet meer over nadenk. Piet heeft gelijk, hier kan ik veel meer snoep kopen voor een dubbeltje. Het duurt even voordat ik wat heb uitgezocht, maar ik ben dik tevreden. Eenmaal buiten vraagt Piet: “Wat heb je?” Vol trots laat ik de volle zak met snoep zien. Alle drie barsten ze in lachen uit.

“Waarom lachen jullie?”

Het duurt een hele tijd eer ze uitgelachen zijn. “Kijk,” zegt Piet lachend, “dit is wat ik heb” en hij geeft me een blik in zijn volgepropte broekzakken. Dan laten ook de anderen zien wat ze aan snoep hebben.

“Jullie hebben toch niets gekocht?” Ik krijg een vreemd gevoel in mijn maag. “Merkt ze dat niet?”

“Nee, daar is ze te oud voor. Er staat zoveel snoep dat ze het nog niet eens mist. Die zaak is van haar zoon en die heeft geld zat, hij heeft ook een winkel aan de overkant.”

Diep in mijn hart weet ik dat het niet klopt, maar er is ook iets spannends aan. De volgende keer doe ik mee. Het is de eerste keer dat ik ga stelen uit een winkel, de zenuwen gieren door mijn keel. Ik pik een handje met drop, meer durf ik niet. Na een paar keer merk ik dat de groep steeds groter wordt.

Op een dag stuurt ma me naar een kledingzaak tegenover mevrouw Kling. Ma heeft een paar sokken betaald en weg laten leggen. Ik moet gaan passen. In de winkel stap staan twee vrouwen met een man te praten over stelen: “Als ik ze te pakken krijg, krijgen ze wat ze verdienen, of ik nu ruzie met de ouders krijg of niet. U wilt niet geloven hoeveel etters er stelen van ma. En weet u wat ik zo erg vind, ze is gek op kinderen. Maar ze is 85 jaar en slecht ter been.”

Het liefste wil ik direct vertellen hoeveel spijt ik ervan heb. Nu is het geen kattenkwaad meer. Dan ziet de man me staan. “Wat kom je doen?”

“Ik kom de sokken passen die ma heeft betaald, meneer.”

Ik durf hem haast niet aan te kijken. Het zijn mooie sokken. Zonder te spreken pakt de man ze in en geeft ze aan me mee. Op straat komen er een paar agenten aan op een fiets, ze kijken me aan met een indringende blik, maar ze rijden verder.

Na het eten mag ik nog een uurtje buitenspelen.

“Koos!” roept Piet. “Heb je het al gehoord? Ze zijn allemaal gepakt. Mee naar het politiebureau plus twee weken binnen blijven! Sommigen hebben veel slaag gehad. Eentje heeft zelfs een blauw oog.”

“En waarom loop jij nu buiten, zonder blauwe plekken?”

“Mijn vader moet overwerken. Ik heb wel klappen gehad van ma.”

7 gedachten over “Snoep voor een duppie”

  1. Wat een mooi stuk weer, Koos! Het doet me ook denken aan mijn eigen jeugd. Zo’n snoepwinkeltje hadden wij ook. Stelen deed ik niet ( wel een keer een appel), maar ik weet dat het daar ook gebeurde!

  2. Koos,

    De Jamin was inderdaad groot maar als je klein bent lijkt alles nog 2x zo groot! Ik durfde er niet naar binnen.
    Je hebt eigenlijk mazzel gehad door af te haken, anders was jij ook de klos geweest. Leuk verhaal weer, het wordt nu al 2.0

  3. Ja Koos,
    weer mooi en ontroerend geschreven 😉
    Wie heeft er nou niet in zijn jeugd ooit wat gestolen!
    Ik kan het me bijna niet voorstellen.
    Alleen wat doe je er verder mee?
    Je krijg toch meestal een confrontatie.

    Gelukkig heb je het goede pad genomen.
    Ook daar ben ik trots op 😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.