School: kom ik er ooit vanaf?

Als de school weer begint staat die vervelende conciërge alweer te wachten. “Zo, dat is een tijdje geleden dat ik jou gezien heb, ik schrijf je gelijk maar eens op.”

Ik krijg een idee: misschien kan ik het versnellen en wat eerder van school verlost zijn. De conciërge loopt zijn kantoortje binnen en gaat achter het bureau zitten. Ik stap ook naar binnen, zó zijn domein in.

“Ik ga niet het schoolplein vegen, al neem je een heel leger mee. Je kan van mij nog een belofte krijgen: als ik volwassen ben en ik kom je tegen, geef ik je een pak slaag dat je nooit meer vergeet.”

“Dat is een dreigement. Hiervoor krijg je straf. Jij moet van school af,” zegt hij met een grote grijns.

Als ik naar huis ga staat hij me op te wachten, een bezem in zijn hand. Die probeert hij aan mij te geven, maar ik laat de bezem vallen en loop naar buiten. Daar draai ik me naar hem om met een grote lach op mijn gezicht. De andere dag moet ik op het matje komen bij de onderdirecteur. Ik ontken alles, behalve dat ik niet meer ga vegen. Ook voor hem niet. Dan trek ik de deur achter me dicht en loop naar de klas.

Ik word helaas niet van school getrapt, maar de conciërge laat me wel eindelijk met rust.

Het is al een hele week boven de 25 graden. Ik heb het er benauwd van. Het liefst zou ik in het zwembad liggen, maar we hebben met school een rondleiding op het arbeidsbureau. Dit is mijn laatste jaar, dan ben ik voorgoed verlost van deze ellende en hoef ik me niet meer te schamen dat ik zo slecht schrijf. Geen verstoppertje meer spelen. Twee klasgenoten schrijven helemaal niet en van een jongen weet ik dat hij ook niet goed kan schrijven, omdat hij mijn klasgenoot was op de blo.

zomer zwembad

Onderweg naar het station moeten we over een brug. We zwemmen daar vaak, omdat we meestal geen geld hebben om naar het zwembad te gaan. Ik duik altijd van de brug af. Heerlijk: net een duikplank, maar dan een stuk hoger. Ik vertel dat ik vaak hier zwem en van de brug af duik, maar hij gelooft me niet. Hij wedt voor vijf gulden dat ik het niet durf. Ik klim over de reling. Op dat moment schieten er allerlei gedachtes door me heen. Mijn oom heeft het meegemaakt dat er iemand met zijn kop in een oude kolenkachel op de bodem terecht was gekomen. Hij was op slag dood. Mijn vader had het over een knul uit de buurt die op een dikke houten balk dook. Ook dood. Ik word onzeker van deze gedachten, het maak me heel bang, maar ik kan niet terug.

Dan laat ik toch de reling los, daar schrik ik van en ik grijp de reling weer vast. Ik zie mezelf springen en kijk op mijn eigen rug. Ik hoor iemand zeggen: “Hij doet het nog ook.”

“Wat een mooie duik,” zegt Petra.

In een oogwenk draai ik mezelf om en zie ze allemaal kijken. Snel keer ik weer terug en kijk mezelf weer op de rug. Ik snap er niets van. Ik heb het dringende gevoel dat ik mezelf snel achterna moet duiken, anders verdrink ik nog. Ik denk er niet over na, laat los en duik het water in. Net voor ik het water raak, zit ik weer in mijn lichaam. Er gaat een schok door me heen; het verschil in temperatuur is best groot. Ik geniet ervan en kom meteen weer een beetje bij. Lekker, denk ik bij mezelf, nu heb ik het eindelijk niet zo benauwd meer.

Even later zit ik met een natte broek in de trein. Niemand zegt er wat van. Als we op het arbeidsbureau zijn, is mijn broek door de zon en mijn lichaamswarmte alweer aardig opgedroogd. Ik voel een hand op mijn kont, ik draai me van schrik om. Het is Petra.

“Sorry, ik wilde weten of je broek al droog was.”

Als er iemand aan mijn kont mag zitten, is zij het wel, denk ik bij mezelf. Ze heeft mooi zwart, glanzend haar en een paar donkere ogen waar het leven vanaf straalt. Maar goed, laat ik het maar gauw vergeten, wat moet ze met een domme jongen zoals ik.

“Zolang jij het bent, Petra, hoor je mij niet klagen.”

“Zwem je daar echt zo vaak, vind je dat niet gevaarlijk?”

“Nee hoor. Nou ja, soms denk je wel eens aan de verhalen die je hoort. Dat er jongens zijn die zich dood doken op een plank of in de modder vast zaten met hun hoofd en dan verdronken.”

Een paar mensen uit de groep reageren nu ook en zeggen dat ze mijn duik mooi vinden. Toch iets wat ik wel kan, denk ik, je wordt er alleen niet rijker van.

Het blijft door mijn hoofd spelen wat er is gebeurd. Hoe kan het dat ik mijzelf zag springen? En dit is niet de eerste keer. Er zijn veel vaker dingen gebeurd waar ik niets van begrijp. Zo veel vragen en ik kan bij niemand terecht. Ik wilde dat ik met iemand erover kon praten.

Een paar maanden later is het dan eindelijk zo ver, ik mag van school af. Mijn motivatie is tot nul gezakt; ik ben gestrand in de brugklas. Maar als ik zestien jaar ben, heb ik voldaan aan de leerplichtwet.

Ik vraag aan mijn broer of hij bij Buk om werk voor mij wil vragen. Het is wel zwart werk en al helemaal niet in vaste dienst, maar af en toe heeft hij een klus en komt me ophalen. Cor heeft inmiddels gesolliciteerd bij een concurrent en wordt aangenomen.

Maar net voor ik zestien word en van school af mag, verandert de wet. Nu moet ik tot mijn zeventiende nog twee dagen per week naar school. Vanaf nu moet ik op maandag naar de technische school en ook nog op donderdag naar weer een andere school. Helemaal naar Rotterdam Zuid met de bus. En ik vind het al moeilijk om Rotterdam te vinden. Rotterdam Zuid is voor mij een ander land.

Ik durf nooit zo lang te blijven staan staren naar de straatnaamborden en de letters op de bushalte, de woorden zijn te moeilijk voor me en daar schaam ik me weer voor. Het busrooster begrijp ik al helemaal niet. Maar in de bus is een nog groter probleem. Op de buskaartjes staat heel veel tekst in kleine lettertjes. Ik kan het stempel moeilijk vinden. Dat stempel is zestig minuten geldig, weet ik, maar hoe kan ik zien of het nog geldig is? Wat is het stempel van de datum en wat van de tijd? Vragen doe ik niet, bang dat ze me dom vinden. Als ik dan niet zeker weet of het verlopen is, koop ik toch maar liever een ander kaartje. Maar niet in dezelfde tram! Dus ik stap uit, wacht op de volgende tram en koop weer een nieuw kaartje. Want anders zegt die conducteur natuurlijk: “Kun je niet lezen? Je kunt toch op het kaartje zien dat hij nog geldig is.”

Daar komt bij dat ik ook nog moet overstappen. Geen idee hoe ik dat moet doen. Gelukkig blijken er meer jongens naar deze school te reizen en zij nemen me mee. Doordat we op de eerste dag niet precies weten waar we moeten zijn, komen we vijf minuten te laat. De voordeur zwaait open. Een oudere man kijkt ons boos aan en zonder te wachten op uitleg begint hij te vloeken en slaat de deur voor onze neus dicht, later blijkt het de directeur te zijn. Daar gaan we weer! Weer een volwassene die me dwars zit. Ik kijk naar de jongens. Wat doen zij? Ze blijven voor de deur staan en wachten tot hij weer open gaat. Maar Joop niet: “Ik ga naar huis. Ze bekijken het maar. Hier heb ik geen zin in!”

Ik ga met hem mee, zonder hem lukt het vast niet om de bus terug te vinden.

“Op maandag vertel ik wel wat er is gebeurd,” vindt Joop.

Maandag hebben we altijd les van Ina. Eerst gelooft ze ons niet en gaat op onderzoek uit. Na een halfuur is ze pas terug. “Het is allemaal uitgesproken. Ze hebben een probleem met jullie tweeën, omdat jullie meteen naar huis zijn gegaan.”

Maar Ina heeft het wel voor ons opgenomen. Ze heeft verteld dat ik moeite heb om het reisgeld bij elkaar te krijgen en dat ik de weg niet weet. Dankzij haar komen we niet in de problemen en krijgen we geen boete.

“Jij en Joop mogen daar donderdag gewoon weer naartoe,” zegt ze.

“Nee, ik ga niet meer. Ik heb er genoeg van. Ik ga werken,” zegt Joop. “Wat doe jij Koos?”

Na lang twijfelen besluit ik om toch te gaan, als ik dan maar niet alleen hoef, anders kom ik er nooit. Er wordt gelachen omdat ik de weg niet weet te vinden. Gelukkig kan ik met dezelfde jongens mee. Als ik tenminste voor autotechniek kies, want de andere lessen zijn op andere tijden.

In de tweede les op donderdag krijgen we een boek en een schrift. Ik doe mijn best om goed te schrijven maar ik weet dat het vol schrijffouten staat. Met begrijpend lezen moet de hele klas altijd giechelen als ik aan de beurt ben.

Als de meester langskomt, kijkt hij naar mijn werk. Ik zie hem schrikken. Snel kijk ik om me heen of niemand dat gezien heeft en doe verder alsof ik aan het werk ben. Af en toe kijk ik naar de meester, maar die geeft geen krimp.

Een jongen staat op en zegt: “Ik stop er mee, ik ga naar huis. Dit kan ik niet, het is te moeilijk!”

Hij wil weglopen, maar zijn vrienden proberen hem op andere gedachten te brengen. Het is allemaal tevergeefs, hij gaat echt. Dan vragen ze de meester wat zij moeten doen: meegaan of blijven?

“Jullie zijn oud en wijs genoeg om dat zelf te beslissen,” zegt die.

Een van de twee zegt: “Dan stoppen wij er ook mee.” Ze staan op.

“Weten jullie dat zeker? Daar schiet je niets mee op. Jullie zijn juist het slimste en hebben de meeste kans om wat te leren.”

Toch gaan ze weg. Na de pauze zijn we nog met zijn drieën over.

De volgende donderdag sta ik bij de bushalte te wachten, maar er komt niemand opdagen. Ik ga maar weer terug naar huis.

Daarna trek ik vaak de natuur in. Dan loop ik wat rond in de weilanden of het bos. Daar kan ik veel beter met mijn gevoelens overweg dan bij de mensen. De natuur geeft me ruimte, ik word er rustig van en het levert me positieve energie op. Ik zoek er naar oplossingen en filosofeer over wat moet ik doen. Hoe kan ik het aanpakken op school? Maar ik kom er niet uit. Ik word een opstandige puber die overal tegenaan moet schoppen. School weet ik vol te houden op die ene dag per week. Voor de andere dagen vind ik geen werk, niemand wil me hebben voor vier dagen.

17 april 1976. Eindelijk word ik zeventien en het is feest. Ik ga niet meer naar school, ik vind het wel genoeg. Ik hoef ook geen diploma meer, maar ik ga werk zoeken voor de hele week. Misschien lukt dat beter.

Deel deze pagina

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.