Op eigen benen

Izabel ontmoet ik later in de disco, ze wordt mijn vriendin. We wonen allebei bij onze moeder en hebben geen plekje voor onszelf. Mijn broer Henk begrijpt het en komt met een geweldige oplossing. Hij heeft ook een vriendin en kent mijn probleem.

“Pa heeft op zolder twee bedden staan. Dan heb je een plekje voor jezelf, ons bed staat om de hoek van de trap. Het andere bed staat voor de trap, dat is nog vrij.”

Tot mijn grote verbazing vindt pa het goed. Gezellig met z’n vieren op de zolder, eindelijk een plekje voor onszelf.

Het is best vreemd om af en toe bij mijn vader te overnachten. Iets wat ik onder andere omstandigheden nooit zou doen; hij drinkt namelijk nog steeds. Henk heeft me gezegd dat ik daar maar overheen moet stappen.

Izabel is natuurlijk ook blij; we kunnen nu eindelijk samen slapen. Ze regelt een draagbare platenspeler, dat maakt het nog gezelliger.

Toch lopen de spanningen op, met zoveel mensen in een klein huis en pa die nog steeds drinkt. Via een kennis horen we dat er een huis in onderverhuur is bij een makelaar. De borg is tweehonderdvijftig gulden en nog eens hetzelfde bedrag voor de huur. Via de sociale dienst krijg ik het geld te leen.

Izabel houdt ervan om te gaan stappen, ze vindt het fijn om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Met haar gedrag maakt ze me vaak jaloers, haar geflirt met andere jongens maakt me gek. Eigenlijk heeft ze schijt aan me. Ik word gek van haar manipulaties en ruzies. Bovendien: stappen kost geld en dat hebben we niet. Maar ze drijft altijd haar zin door. Het is vrijdagavond en ze wil weer gaan stappen, terwijl we blut zijn. We krijgen er ruzie over, maar dit keer houd ik mijn poot stijf. Ik ben het stappen bovendien ontgroeid.

“Ik ga even een pakje sigaretten te halen,” zegt ze. “Ik ben zo terug.”

Maar na drie uur is ze nog steeds niet terug. Ik maak me zorgen, er zou toch niet wat gebeurd zijn? Ik ga haar zoeken, maar ze is nergens te vinden. Ik kan nog maar één ding doen: haar familie bellen, maar ook daar vang ik bot. Om vier uur in de ochtend weet ik zeker dat ze ergens anders slaapt en dat doet zeer. Ik pak al haar spullen en zet ze op de gang.

‘s Middags staat ze voor de deur.

“Waar ben jij geweest?” vraag ik, “Ik heb je hele familie afgebeld en je overal gezocht!”

“Maak je niet druk, ik heb bij een goede vriend geslapen, maar er is niets gebeurd.”

Vanbinnen kookt het bij me. Deels om haar gedrag maar deels ook om mezelf. “Dat maakt voor mij niet meer uit, of er wat gebeurd is of niet. Je kan vertrekken. Ik heb je spullen al in de gang klaargezet.”

“Ja, daar kwam ik voor. Ik heb besloten om niet meer met je verder te gaan,” zegt ze nonchalant. “Kan ik mijn spullen nog een paar dagen laten staan? Dan kom ik ze met mijn oom ophalen.”

“Tot vrijdag heb je tijd, dan komt de vuilnisman en krijgt die het mee.”

Ik zie haar schrikken. Uiteindelijk kiest ze eieren voor haar geld en zet haar spullen bij de buren.

Ik barst in tranen uit. Boos op mezelf, omdat ik ergens in mijn achterhoofd wel wist dat het met haar nooit goed kon gaan. Haar vorige relatie had ze ook al slecht afgesloten. Ik ben er ingestonken. Ze verontschuldigde zich niet eens. Ik kan niet meer eten van verdriet en heb nergens meer zin in.

Na een week wordt er aan de deur gebeld. Het is Izabel: “Mag ik binnenkomen?”

Ik laat haar binnen, het is toch fijn om haar weer te zien. Ze loopt direct naar de keuken en trekt de keukenla open waar de spaarzegels liggen.

“Waar zijn mijn spaarzegels?” eist ze.

“Je vergist je, die heb ik betaald. Trouwens, daar heb ik de huur mee betaald. Kom je alleen maar omdat je geld nodig hebt?”

“Ja, ik moet ook ergens van leven.”

Ze komt langzaam naar me toe en gaat tegen me aan staan. Het doet pijn en ik duw haar van me af. Ergens wil ik haar terug, maar ik kan mezelf niet pijn blijven doen.

“Mag ik nog eens een keer langskomen?” bedelt ze.

Ik schud nee. “Het komt tussen ons niet meer goed.”

Ik walg van mezelf: ik kan niet eens een relatie volhouden.

Na twee dagen staat Izabel opnieuw voor de deur. Ik laat haar weer binnen.

“Ik zit zonder geld en moet een uitkering aanvragen bij de sociale dienst. Weet jij hoe ik dat moet doen?”

“Gewoon. Bij de sociale dienst een uitkering aanvragen.”

“Je snapt me niet, ik woon weer in Rotterdam bij ma.”

“Dat moet je er niet bij vertellen, dan krijg je niets. Als je je inschrijft heb je in ieder geval wat.”

Na twee dagen moet ik me melden bij de sociale dienst. De consulent vertelt dat Izabel me daar zwart heeft lopen maken om een uitkering te krijgen ten koste van mij. Ik zou haar slaan en bedreigen. Ik mag geen contact met haar zoeken, anders volgen er straffen en word ik op mijn uitkering gekort. Ik sta op en loop weg.

Een vriend van me is sociaal werker: “Als je hulp nodig hebt met de soos of zo, kom maar gelijk naar me toe, ik help je wel,” zegt hij vaak.

Ik vertel hem wat er gebeurd is. Direct belt hij de directeur van de sociale dienst. Ik kan meteen komen praten. Maar ik krijg minder omdat we niet meer met zijn tweeën zijn en bovendien zit ik nu met een veel te duur huurhuis opgescheept.

Ik wil haar terug, ondanks alles wat er gebeurd is. Na drie weken gaat de deurbel. Zou het Izabel zijn? Maar het is Richard: “Wat ben jij aan het doen man? Je ziet er slecht uit, je lijkt wel een zombie. Wat is er met jou aan de hand?”

Ik vertel hem wat er is gebeurd.

“Goed gehandeld, maar rot dat het zo is gelopen. Kom met mij mee! Ik woon sinds kort twee straten verderop.”

Ik probeer eronderuit te komen, maar dat lukt niet. Als we bij hem thuis komen doet zijn vrouw open. Ze maakt een paar frikandellen klaar: “Opeten! Je ziet er niet uit.”

Met veel moeite eet ik de frikandellen op. Na twee uur ga ik weer naar huis. Na een week besluit ik om toch maar weer eens langs te gaan bij ma. Ik krijg er meteen van langs omdat ze me een maand niet heeft gezien. Ik vertel ook aan ma wat er is gebeurd.

“Je bent te hard voor jezelf. Maar dit keer heb je er goed aan gedaan. Je eet toch zeker wel mee?”

Ik stem toe en ga op de bank zitten. Naar ma terug kan ik niet meer, mijn broers willen de kamer niet meer met mij delen. Als we gegeten hebben, ga ik terug naar mijn lege huis.

Elke keer moet ik aan Izabel denken, maar ook aan de huur die ik steeds moet opbrengen. Ik loop nu een maand achter en ik ben al met uitzetting bedreigd. Eerst ga ik me inschrijven bij het woningbureau, maar de wachtlijst is nog langer geworden. Ten einde raad neem ik contact op met de sociale dienst. Tot mijn grote verbazing word ik meteen geholpen. Ze gaan voor me bemiddelen om zo snel mogelijk aan een goedkopere woning te komen. Het duurt maar twee weken. Het enige probleem is dat ik tweeduizend gulden voor overname moet betalen. Dat heb ik natuurlijk niet.

Even later neemt de sociale dienst weer contact met me op. Er is een man die mijn huis wel wil hebben, hij is bereid om zijn huis voor niets te ruilen. Terwijl hij het net heeft verbouwd! Ik ga langs om bij hem thuis te kijken. Ik word er meteen verliefd op. Het is niet echt iets bijzonders: een verlaagd plafond onder de trap, een badkamertje met een ligbad en een vrij grote keuken. Maar het voelt eindelijk als mijn huis. Het huis straalt warmte uit en de eenzaamheid valt daarmee grotendeels weg. Na een maand kan ik erin. De huur is belachelijk laag.

Deel deze pagina

2 gedachtes over “Op eigen benen”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.