Op avontuur

Het is grote vakantie als Cor vraagt: “Doe je mee putje neppen?”

Een beter moment kan hij niet uitkiezen. Ik zwerf iedere dag over straat. De meeste vriendjes in de straat zijn op vakantie of wonen drie of vier straten verderop; ik mag daar nog niet alleen naartoe.

bij oma

We gaan naar opa’s huis. Als we aan komen lopen, staat Henk al te wachten. De spelregels zijn heel makkelijk: je mag niet duwen, iemand vastpakken of tegen de benen schoppen. Als de bal de put raakt is het een doelpunt.

Henk en ik spelen tegen Cor. Al snel staan we met twee doelpunten achter. Ik vind het een leuk spel, winnen of verliezen is voor mij niet zo belangrijk.

Dan schiet Cor de bal naar het doel.

“Hou hem tegen!” roept Henk.

Maar omdat Cor tussen de bal en mij blijft lopen kom ik er niet bij. Opeens zie ik een gat en schop de bal tussen zijn benen door, Henk maakt het af en scoort een doelpunt.

Zo spelen we iedere dag uren achter elkaar. Ma is er niet blij mee. We hebben ieder één paar schoenen en vaak niet van al te beste kwaliteit.

We worden steeds beter. Een jaar later zit Cor op voetballen hij heeft Henk meegenomen naar Wilton Fijenoord. Ik ken dan nog niet het verschil tussen Wilton Fijenoord en de grote voetbalclub Feyenoord. Ome Jan heeft Henk aan voetbalschoenen geholpen, al zijn het afdankertjes. Ome Jan is trainer en schoonbroer van ma. Ik wil ook op voetballen, maar ome Jan zegt: “Ik kan niet voor iedereen voetbalschoenen regelen.”

Op een zaterdag trekt Cor ons de gang in en fluistert: “Ik ben erachter gekomen dat er veel geheime gangen zijn!”

“Hoe weet je dat?” vraagt Henk.

Cor grijnst ondeugend. Mijn hart begint te bonken. Cor praat over sluiproutes, brandgangen en geheime bergplaatsen van smokkelaars.

“Rustig, opa en oma mogen niets merken,” fluistert Henk.

“Ik wil over de daken van de buren klimmen, en kijken waar die gangen uitkomen. Jullie twee moeten de wacht houden.”

Ik slaak een zucht van opluchting en Henk geeft me een vette knipoog. Als er wat gebeurt, is Cor de klos.

“Op tijd terug zijn, hoor,” zeg ik toch wat bezorgd.

Achter het huis van opa is een plaats. Alle huizen hebben een plaats met een schuurtje en een golfplaten dak. De daken zijn vaak verrot, je kunt er zo doorheen donderen.

“Ik ga de schuurtjes op, maar als iemand er wat van zegt dan zoek ik een balletje,” zegt Cor.

Cor pakt een balletje en gooit het loeihard op de golfplaten die op de schuurtjes liggen en hij klimt het dak op.

Dan klinkt er: “Hé wat moet dat hier!”

Cor kijkt direct om: “Pardon buurvrouw, mijn broertje gooide per ongeluk het balletje op het dak.”

“Doe je wel voorzichtig!” zegt ze en gaat weer naar binnen.

Al ‘zoekend’ verdwijnt Cor tussen de daken en blijft wel een halfuur weg. Wat als hij door een dak is gevallen? We moeten nu wel aan opa vertellen dat Cor weg is, voordat het te laat is. Met hangende schouders gaan we naar binnen. Net als we willen vertellen wat er gebeurd is, staat Cor voor onze neus als een duvel uit een doosje. Hij trekt ons de keuken uit en duwt ons naar buiten.

“Waar kom je vandaan, wat is er gebeurd, wat heb je gevonden?”

Hij lacht keihard, het galmt over de binnenplaats: “Ik ben over wel vijftien schuurtjes heen gelopen, tot ik bij een paar muurtjes kwam, waar ik overheen geklommen ben. Daarna kwam ik op een dak van een brandgang, het dak van een fabriek en een binnenplaats. Toen kwam ik uit bij de haven. Ik laat het jullie wel zien.”

We lopen naar de Nieuwe Haven. Daar zien we twee grote stalen deuren, waarvan er één open staat. Daardoorheen zien we een heel grote binnenplaats met achterin een fabriek. We zoeken nog spullen om een hut te bouwen. Dat is onze grote droom.

“Zie je dat kleine poortje daar naast de fabriek? Daar kan je doorheen!”

Als een stelletje ervaren boeven sluipen we langs de kant van de binnenplaats naar de poort. We komen bij een muurtje en helpen elkaar de muur over, Cor eerst. We klimmen over een richel en komen tussen twee daken van een andere fabriek terecht. Het lijkt wel een doolhof. Henk en ik staan stijf van de spanning, alles is nieuw en onbekend. Maar Cor grinnikt.

We staan op een golfplaten dak. Cor zegt opgewonden: “Dit moet een brandgang zijn.”

Het verrotte dak is de enige ingang en het is pikdonker. We durven er geen van drieën naar binnen.

“Jij bent te klein, Koos,” zegt Cor en ik ben het met hem eens. Henk is de lefgozer en Cor laat hem voorzichtig naar beneden zakken.

“Haal me hieruit! Er zitten spinnen, het stinkt als de pest en het is pikdonker,” roept Henk direct paniekerig.

“Hoe diep is het?” vraagt Cor.

“Wel twee meter.”

Cor hijst Henk eruit en gaat op zoek naar lucifers en een oude ladder. Hij gaat de donkere ruimte in en ontdekt dat de brandgang aan beide kanten is dichtgemetseld: we hebben een hut.

Cor gaat een vriend halen om te komen kijken. Als een lopend vuurtje gaat het daarna rond. Na een paar uur staan al onze vrienden bij de brandgang. Iedereen is er weg van, een schuilplaats en geen controle van volwassenen. We moeten allemaal een eed afleggen.

De volgende dag gaan we op verkenning. Er moet iemand in de hut blijven. We trekken strootjes en ik ben de sjaak. Als ze binnen een uur niet terug zijn, moet ik hulp gaan halen. Tijdens het wachten zie ik van alles voorbij komen: spinnen, oorwormen en pissebedden. Dan hoor ik voetstappen die ik herken. Met een hoop herrie en een rotklap valt er iemand door het dak. Hij beweegt niet meer! Het hoofd van zijn kleine broertje steekt door het gat naar binnen en schreeuwt: “Is ie dood?”

Het broertje heeft een rood hoofd en tranen van de schrik in zijn ogen.

“Geen idee,” roep ik en hoor hoe mijn stem bibbert. Mijn hart bonkt en mijn keel is droog. Wat moet ik nou doen? Hij geeft geen teken van leven.

Opeens horen we hem zuchten.

“Pfft,” zeg ik, “Ik dacht echt dat je dood was.”

“Nou dat scheelde niet veel. Jezus, wat doet dat zeer. Ik viel precies plat op mijn rug.” Tegen zijn broertje zegt hij: “Jou laat ik de volgende keer thuis.”

Die steekt z’n tong uit en lacht. Ook de rest van de bende is opgelucht. Nu moeten we het dak repareren.

“Zullen we naar de houthandel aan de overkant gaan en vragen of ze restjes hout hebben liggen voor ons?” stelt Cor voor.

Met zijn achten gaan we naar de houthandel, maar er is niemand. We zien alleen stapels balken en houten planken. Precies wat we nodig hebben. Iedereen neemt wat mee: een paar balken en wat planken. Thuis halen we spijkers en hamers. Binnen twee dagen hebben we een ijzersterk dak gemaakt. Met dank aan de houthandel.

We vragen ons af wat voor een fabriek er naast ons aan de andere kant staat, er is nooit iemand aanwezig. Stel je voor dat we hier ook spullen voor de hut kunnen vinden. Als we op onderzoek uit gaan zien we dat er een raam ontbreekt. Misschien zit er wel alarm op, voor de zekerheid gooien we een oude doek naar binnen, maar er gebeurt niets. Stilletjes klimmen we één voor één naar binnen. Het is een verlaten fabriek. Er staan dozen en ik maak een doos open. “Kijk eens, vuurwerk!”

Iedereen begint te graaien en stopt zijn zakken vol. Henk heeft ook wat gevonden. Draaimolentjes met Jingle Bells. We jatten alles wat los en vast zit en verstoppen de buit in de hut onder een paar planken.

Ineens zie ik een blauwe pet door het gat in het dak. Verdomme, een agent. We doen net of we gek zijn. De agent vraagt wat wij daar doen. Met een stalen smoel zeggen we dat het onze hut is. Dan vraagt hij iets over gestolen hout aan de overkant.

“Daar weten we niets van,” bluffen we.

Cor zegt: “We hebben wel een paar kilo drugs onder de vloer verstopt.”

De agent begint te lachen, maar ik moet bijna kotsen van angst. Als hij weg is slaken we allemaal een diepe zucht. Henk pist in zijn broek van het lachen.

Deel deze pagina

Een gedachte over “Op avontuur”

  1. Helemaal geweldig geschreven Koos.
    Wat gaat de tijd hard…ik weet het nog als de dag van gisteren. Ben dankbaar dat ik dit met mijn broers en vrienden heb mogen mee maken.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.