Mijn zusje Bertha en ik

Na het eten is ma op visite bij oma en opa. Dat biedt kansen om buiten te spelen. We spelen bordjesbal, dit keer ben ik de sigaar. Snel rennen de kinderen een kant op, ik moet ze af zien te gooien. Als ze op een putdeksel staan, zijn ze vrij.

Zomaar uit het niets duikt er een brommer op. Stokstijf blijf ik op de stoeprand staan. We hebben oogcontact en opeens gooit hij zijn stuur om, hij wil me zeker laten schrikken. Knal, daar lig ik. De wereld draait om me heen. Uit alle macht probeer ik op te staan. Het wordt zwart voor mijn ogen. Ik hoor een mevrouw vloeken. Dan zegt ze tegen mij: “Blijf liggen jongen, je hebt een gat in je hoofd.”

Ik word wakker in de armen van mijn opa. Alleen meneer van Buren heeft een telefoon, maar die is niet thuis. Langzaam zak ik weer weg. Als ik mijn ogen open doe, ben ik thuis en lig in mijn oude ledikant. Lenie slaapt bij ma in bed. In de avond moet ik nodig naar de wc, maar voor ik bij de wc ben spuug ik de heleboel onder. In de nacht die volgt maakt ma me steeds wakker.

Vroeg in de ochtend vertelt ze dat ik niet thuis kan blijven en naar het ziekenhuis moet. Ze heeft contact met de huisarts gehad en de ambulance haalt me op. De broeders vragen of ik de sirene aan wil. Met hard geloei word ik naar het ziekenhuis gereden. Ik kom op een kamer in het donker. Steeds vraag ik of de gordijnen open mogen, maar het mag niet. Ik moet ook plat op mijn rug blijven liggen. Ik word zelfs vastgebonden zodat ik niet omhoog kan komen. Ik vraag iedere dag of ik naar huis mag. Na twee weken komt de politie bij me langs in het ziekenhuis en vertelt dat de brommerrijder net als mijn vader een alcoholist is. Ik ben het zevende kind dat hij heeft aangereden. Hij mag nooit meer op een brommer rijden.

Na vier weken mag ik rechtop zitten. Tussen de middag mogen alle kinderen die geen gat in hun hoofd hebben buiten in de tuin spelen. Ik moet in het donker blijven. Verlangend kijk ik ma na, elke keer als ze weggaat na het bezoekuur.

‘s Avonds laat word ik wakker gemaakt, het is ma. Komt ze me eindelijk halen? Nee, ze heeft slecht nieuws. Mijn kleine zusje Bertha is aangereden door een taxi en het gaat heel slecht met haar. Ze heeft een hersenbeschadiging en ze wil niet stil blijven liggen in het ziekenhuisbed. Ma moet naar huis en vraagt of ik op Bertha wil passen en haar wil troosten. Het is voor het eerst dat iemand een beroep op me doet. Midden in de nacht word ik opgehaald door een zuster. Ik neem mijn plastic auto mee die ik nieuw heb gekregen. Bertha is blij dat ik er ben. Haar gezicht ligt open en haar lichaam zit van top tot teen in het verband. Met veel moeite komt ze tot rust en valt eindelijk in slaap. Nu voel ik me haar grote broer en ik doe mijn uiterste best. Ik heb zelfs mijn autootje achtergelaten. De zuster zegt dat ik het goed heb gedaan: “Als je zo voor je zusje blijft zorgen, hebben we goede hoop.”

Vroeg in de morgen komt de zuster me weer halen. Bertha roept om ma, maar ik krijg haar weer rustig. Eten wil ze ook niet alleen, dus eet ik samen met haar. Na een week is ze gelukkig een beetje opgeknapt. De zusters zeggen dat het vooral door mij komt.

Eindelijk mag ik over een week naar huis, maar Bertha roept telkens om mij. Ma zegt dat het wel goed komt. In de week die volgt, vertel ik haar telkens dat ze snel naar huis mag als ze goed luistert. Ze doet wat ik zeg. Als ma me ophaalt, moeten we stiekem langs Bertha’s raam sluipen. Ze vraagt nog wel eens naar me, maar dan zeggen ze dat ik lig te slapen en daar neemt ze genoegen mee. Ze weet dat ik heel dichtbij ben en dat brengt haar tot rust. Na een week of vier komt ook Bertha naar huis. Toch zal ze altijd last van het ongeluk blijven houden; ze loopt een leerachterstand op.

Een gedachte over “Mijn zusje Bertha en ik”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.