Mijn zusje Bertha en ik

Na het eten gaat mijn moeder op visite bij oma en opa. Dat biedt kansen om buiten te spelen, wat niet vaak voorkomt om 7 uur in de avond. We spelen bordjesbal, dit keer ben ik de sigaar, de bal wordt gegooid. Snel rennen de kinderen een kant op, als je op een putdeksel van de goot staat, ben je vrij. Voor ze erop komen moet ik ze eraf zien te gooien.

Opeens, zomaar uit het niets, duikt er een brommer op. Stokstijf blijf ik nog net op de stoeprand staan. We hebben oogcontact. Opeens gooit hij zijn stuur om, hij wil me zeker laten schrikken, denk ik. Knal daar lig ik op de stoep, vlakbij een lantaarnpaal. De wereld draait om me heen. Uit alle macht probeer ik op te staan, om toch maar weer te gaan liggen. Het wordt zwart voor mijn ogen. Ik hoor een mevrouw vloeken op de veroorzaker. Dan richt ze zich tot mij: “Blijf liggen, jongen. Je heb een gat in je hoofd en al je tanden zijn door je lip gegaan.”

Even ben ik weg en word wakker in de armen van mijn opa die erbij is gekomen. Niemand heeft een telefoon, behalve meneer van Buren. Maar die is niet thuis. Langzaam zak ik weer weg. Als ik mijn ogen open doe, ben ik thuis en lig in mijn oude ledikant. Lenie slaapt bij mijn moeder in bed. In de avond moet ik nodig naar de wc, maar voor ik bij de wc ben, spuug ik de hele boel onder. In de nacht die volgt, maakt mijn moeder me steeds wakker tot vroeg in de ochtend.

Ze vertelt me dat ik niet thuis kan blijven en naar het ziekenhuis moet. Ze is nog niet uitgesproken of er word aan de deur gebeld. Het is de ambulance. Zonder dat ik het weet heeft ze contact met de huisarts gehad. Ik kom in een rijdend bed te liggen en word zo de wagen in geduwd. De mannen zijn heel aardig tegen me. Ze vragen of ik de sirene aan wil. Dat wil ik wel beleven. Met hard geloei word ik naar het ziekenhuis gereden. Voor ik het weet, lig ik op een kamer in het donker. Een voor een komen zusters lang om zich voor te stellen. Steeds vraag ik of de gordijnen open mogen. Het mag niet, omdat ik een hersenschudding heb. Ik moet ook plat op mijn rug blijven liggen. Ik word zelfs vastgebonden zodat ik niet omhoog kan komen. Ik krijg het er erg benauwd van. De andere dag mag ik los liggen van de dokter die langs is gekomen. Het lijkt wel een eeuwigheid te duren, ik vraag iedere dag of ik naar huis mag. Na  twee weken komt de politie bij me langs in het ziekenhuis. Een van de agenten vertelt dat hij boos is op de brommerrijder. Het is iemand die net als mijn vader een alcoholist is. Deze man heeft al zes kinderen aangereden en ik ben nummer zeven. Hij mag nooit meer op een brommer rijden. Ik vind dat veel te laat en een te lage straf. Daar moet ik het mee doen. De grote mensenwereld begrijp ik niet.

De dokter vertelt dat ik zeker zes weken moet blijven. Na  vier weken ben ik gewend  en mag ik rechtop zitten.

Het is laat in de avond en ik krijg van een zuster een hele fles Coca Cola. Wat een geluk. Tot mijn verrassing is het de ‘enige echte’ niet van die neplimonade die we soms thuis krijgen. Het eten is ook zeer goed. Behalve de vis met doppers en peentjes, daar zit een saus op, die ik vind heel vies. Ik begin steeds meer naar huis en de buitenlucht te verlangen. Tussen de middag mogen alle kinderen die geen gat in hun hoofd hebben buiten in de tuin spelen, zegt de zuster. Ik ben een van de weinigen die binnen in het donker moeten blijven. Vandaag blijft mijn moeder lang zitten tijdens het bezoekuur. Verlangend kijk ik haar na als ze weggaat. Pas ik niet in haar binnenzak? Ik wil zo graag mee. Natuurlijk kan dat niet, maar ik krijg steeds meer van die vreemde gedachten. Zo graag wil ik weg. Met betraande ogen draai ik me om en trek de dekens over me heen. ‘s Avonds laat word ik wakker gemaakt, het is mijn moeder. Komt ze me eindelijk halen? Nee, ze heeft slecht nieuws. Bertha, mijn kleine zusje is aangereden door een taxi. Het gaat heel slecht met haar. Ze wil niet stil blijven liggen in het ziekenhuisbed. Mijn moeder moet naar huis en vraagt of ik op Bertha wil passen en haar troosten. Midden in de nacht word ik opgehaald door een zuster. Ik neem mijn plastic auto mee die ik nieuw heb gekregen. Bertha is blij dat ik er ben, met veel moeite komt ze tot rust. Ze valt eindelijk in slaap.

Haar gezicht ligt open en haar lichaam zit van top tot teen in het verband. Ik maak me zorgen, als ze maar snel beter wordt. De zuster praat tegen me en zegt dat ik het goed heb gedaan: “Als je zo voor je zusje blijft zorgen, hebben we goede hoop. Je zusje is echt zwaargewond.”

Nu voel ik me haar grote broer en ik doe mijn uiterste best. Ik heb zelfs mijn autootje achtergelaten. Vroeg in de morgen komt de zuster me weer halen. Bertha roept om onze moeder. Het kost me veel moeite om haar rustig te krijgen. Maar het lukt me weer. Eten wil ze ook niet, dus eet ik samen met haar. Dan lukt het wel een beetje. Na een week is ze gelukkig weer een beetje opgeknapt. De zusters zeggen dat het vooral ook door mij komt. Nog nooit heb ik me zo belangrijk gevoeld. Dan komt er nog meer goed nieuws: over een week mag ik naar huis. Hoe nu verder met mijn zusje? Die roept telkens om mij. Dat kan dan niet meer. Mijn moeder zegt dat het wel goed komt met Bertha. In de week die volgt, vertel ik haar telkens dat ze snel naar huis mag als ze goed luistert, ook al lijkt het nog zo lang te duren. Ze doet wat ik haar heb verteld. Als het zover is komt mijn moeder me ophalen. We moeten stiekem langs Bertha’s raam sluipen, want stel je voor dat ze ons ziet, dan gaat ze gillen! Na een paar weken komt ook Bertha naar huis. Toch zal ze altijd last van het ongeluk blijven houden; in alles heeft ze een achterstand. Mij maakt het niet uit, ik heb gelukkig mijn zusje nog!

Een gedachte over “Mijn zusje Bertha en ik”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.