Mijn vader

Mijn vader woont in een verzorgingstehuis, omdat hij en zijn vriendin Nel Alzheimer hebben. Vooral Nel is behoorlijk in de war en kan niet meer alleen naar buiten.

Mijn zussen hebben gevraagd of ik ook af en toe boodschappen voor hem wil halen. Hij is veeleisend; om de haverklap hangt hij aan de telefoon. Ik denk dat het niet alleen om een boodschap is, maar ook omdat hij met Nel geen goed gesprek meer kan voeren.

Dan komen mijn zussen met groot nieuws. Na veertig jaar gaan ze ineens trouwen. Ik lig echt in een deuk als ik het hoor, ik denk dat ma er ook hard om had gelachen. Ze gaan trouwen op het stadskantoor van Schiedam en dan gaan wij met zijn alle wokken. We maken er een gezellige boel van.

Ondertussen vraagt mijn vader steeds meer van me. Hij is teleurgesteld als ik door mijn reuma niet voor hem kan sjouwen. Soms ga ik een uurtje met hem biljarten. Het eerste wat hij dan doet is naar een gokkast lopen en er zijn geld kwijt raken. Ik ben eigenlijk wel blij dat ik hem en Nel nog heb, nu mijn moeder er niet meer is.

Om Nel maak ik me wel zorgen. Zij is steeds meer in de war, praat vaak over haar ouders en huilt ook regelmatig als ik binnenstap. Ze zegt vaak: “Waar blijf je nou, kan ik zo met jou mee naar huis?”

“Nel, je bent al thuis.”

Meestal lacht mijn vader erom, maar soms is het hem ook teveel en reageert hij fel. Ze barst dan opnieuw in huilen uit. Eén ding heb ik geleerd: je kunt er maar beter niet tegenin gaan, dus praat ik maar gewoon met haar mee. Soms roept ze meteen als ik binnenkom: “Hé schooier, waarom blijf jij zo lang weg?”

“Nel, ik ben gisteren nog geweest.”

Mijn vader roept dan: “Dat weet ze niet meer.”

Tegen mij zegt hij dat hij last heeft van nachtmerries. Ik zeg: “Als het om ons gaat, hoef je dat niet te hebben. Wij hebben het je allang vergeven.”

Ik zie een lichte verandering in zijn gezicht, ondanks dat hij het probeert te verbergen.

Op een avond word ik laat gebeld, dat hij met spoed naar het ziekenhuis is gebracht. Zijn alvleesklier is zwaar ontstoken. We gaan er met een paar broers en zussen heen. Mijn vader begint opgewonden over zijn wilde rit naar het ziekenhuis. Dat stelt me wel een beetje gerust, maar toch vind ik dat hij er grauw uitziet. Na een week belt mijn zus, net voor ik naar bed wil gaan: “Hij is overleden.”

Ik ben boos, omdat ik er zo verdrietig van ben. Dat had ik nog niet eens zo erg toen ik ma verloor. Het gekke is dat ik ben gaan geloven dat hij niet zo makkelijk dood kon gaan. Ik meld me ziek op mijn werk en heb nergens zin in. Ik kan niet meer slapen en als ik dan toch in slaap val, word ik met tranende ogen wakker. Ik moet veel aan vroeger denken en wat een groot ego hij had.

Ook Cor vertelt hoe boos hij op zichzelf is. Het voelt als verraad aan ma, die zo goed voor ons gezorgd heeft tot haar laatste adem.

Wat moet ik doen? Ik weet het even niet meer. Nel wil er niets over horen. Als je een paar minuten bij haar zit vraagt ze: “Waar is je vader?”

“Die is er niet meer, Nel.” Ik vraag me af of ze het wel door heeft.

“Tuurlijk wel,” zegt ze dan. “die zal wel weer in de kroeg zitten.”

Voor het eerst denk ik: was dat nu maar even waar.

Met alle broers en zussen komen we bij elkaar om de begrafenis te regelen. Met ma ging het zo gemoedelijk, maar nu gaat alles veel moeilijker. In gesprek met Edith kom ik erachter dat ma erg ziek was en er zelf geen zin meer in had. Maar mijn vader wilde nog heel lang door. Ik realiseer me ook dat er zoveel onuitgesproken is tussen hem en mij. Gelukkig heb ik de laatste maanden wel goed contact met hem gehad. Telkens als de telefoon gaat denk ik dat hij belt, om weer te moeten beseffen dat hij er niet meer is.

Iedereen ging er vanuit dat Nel als eerste zou gaan, omdat zij zo hard achteruit ging. Vaak begint ze over vroeger: “Ik weet nog goed hoe moeilijk ik het had. Ik had niemand om mee te praten en voelde me soms zo eenzaam. Hoe weet ik niet, maar jij kwam dan altijd binnenwandelen. En dan vertelde ik waar ik tegenaan liep. Jij was toen nog een klein ventje van negen. Je zei dan ‘Ik moet er even over nadenken.’ Naar een paar minuten begon je dan te praten. Ik was altijd verbaasd wat er dan uit jouw mond kwam. Meestal had je nog gelijk ook. Zo heb jij zonder dat je het weet mij goed geholpen. Dat vergeet ik nooit meer.”

Ik ben echt even onder de indruk van hoe goed ze ineens bij is. Als of ze nergens last meer van heeft. Zelfs Cisca is ervan onder de indruk. Na die dag gaat ze ineens heel snel achteruit. Op zondagavond belt Cisca om te vertellen dat ze is overleden. Nu heb ik alles weggebracht en is er niets meer om naartoe te gaan. Toch heb ik met Nels overlijden wel vrede, omdat ze zo in de war was. Ik denk vaak aan vroeger en hoe alles verlopen is. Ondanks alle shit zou ik het nooit willen missen.

Soms denk ik wel eens aan de naam die ik van mijn vader kreeg. Wat heeft die naam het me moeilijk gemaakt. Er is nog een probleem dat ik moet overwinnen: mijn dromen en mijn afwezigheid heb ik nog steeds. Het maakt me onzeker, omdat ik het aan de gezichtsuitdrukking van de ander zie: “Waar zit je met je gedachten?”

Ik weet het niet, maar ook durf ik het niet te zeggen. Ik snap er zelfs al niets van, laat staan een ander. Soms durf ik te zeggen: “Het spijt me, ik was mezelf even kwijt.”

Ik bid dat het eens echt helemaal voorbij is en ik de aandacht aan de mensen kan geven die ze verdienen.

Nu ben ik gelukkig op weg als oude man naar een steeds vernieuwend leven, nooit heb ik durven dromen dat dit allemaal kon gebeuren. In mijn donkere hoek is nu vaak volop licht en daar geniet ik van.

4 gedachten over “Mijn vader”

  1. Hallo Koos,

    Geweldig geschreven en nu ben ik ook weer even terug in de tijd geweest. Dankjewel en ga vooral zo door. Ik merk ook dat je er steeds beter in wordt. En je bent al zo’n geweldige verteller en nu ook een geweldige schrijver die steeds beter aan het worden is. Echt knap.

    Je broer Henk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.