Mijn vader

Mijn vader was meestal  niet thuis en als hij thuis was, had hij gezopen. Hij kwam vaak heel laat thuis, dus dan kwam hij de volgende dag ook laat uit bed. Hij sliep altijd met een fles sirooplimonade met koolzuur, om zijn nadorst te lessen, want van alcohol droog je uit. Als hij geen geld meer had, was hij niet te genieten, hij pikte dan de kinderbijslag van mijn moeder. Zij wist op haar beurt niet hoe ze de schulden moest betalen. Er was gelukkig nog een groenteboer die groente verkocht in een pakhuis. Hij heette Theo en hij was de enige waar mijn moeder nog wat eten kon poffen. Ik heb genoeg keren machteloos toegekeken als ze erom huilde.

Soms werd ik door hem verrast in de keuken. Als ik dan alleen was, blokkeerde hij het looppad zodat ik niet weg kon komen en hem aan moest horen. Iedereen had het dan gedaan, vooral de Duitsers. Ik snapte daar niets van. Het leek wel een eeuwigheid te duren. Misschien was het toen al te laat en kon hij al niet meer stoppen met drinken.

Met mijn moeder aan tafel bespraken we van alles en iedereen in de familie. Als we ten minste een tafel hadden en die niet kort en klein geslagen was. We hebben ook nog wel op sinaasappelkistjes gezeten, dat was alles behalve gezellig.

Onze moeder had een heel mooie tafel gekregen van een paar mensen die een uitschuifbare eiken tafel overhadden omdat zij een nieuwe hadden gekocht. Ze was er zo gelukkig mee, ze straalde gewoon. Totdat hij het weer op zijn heupen kreeg. Het was vroeg in de morgen. Hij was de nacht niet thuisgekomen en mijn moeder was bij zijn ouders op visite, die woonden aan het einde van de straat. Hij was thuisgekomen en had alles kort en klein geslagen. Hij was intussen naar bed gegaan om zijn roes uit te slapen. Mijn moeder kwam thuis, pakte een tafelpoot en begon op hem in te rammen. Gillend sprong hij zijn bed uit en rende in zijn onderbroek de straat op, al roepend om zijn moeder. Na zeventien jaar huwelijk ging mijn moeder van hem af. Ze zei: “Je vader heeft voor de drank gekozen en niet voor ons.”

Het gaf rust, maar met gemengde gevoelens. Misschien wel omdat ik een vader miste. Vooral als ik een vader van een vriend zag en hoe hij met zijn kinderen omging. Dan droomde ik ervan om dat ook te hebben met mijn vader. Als ik hem dan weer dronken tegenkwam, raakte het me extra hard.

Toen ik een jaar of tien was, werd alles anders. Mijn oma moest naar de Hijermansflat, een bejaardenflat verhuizen omdat ze alleen was. Eerst wilde ze niet, maar ze liet zich overhalen door haar dochters die in de buurt van het bejaardenthuis woonden. Als mijn vader naar mijn oma ging was hij altijd nuchter, anders kreeg hij ervan langs, hij had geen andere keus. Gelukkig heb ik daardoor ook wel eens de goede kant van mijn vader gezien. Daarna echter ging hij vaak naar het badhuis in Rotterdam en daarna de kroeg in. Ik ben twee keer mee geweest naar het badhuis met mijn broer Henk. Het was leuk; je mocht voor twee gulden vijftig 20 minuten douchen. Maar meestal wilde hij vanuit de flat gelijk naar de kroeg om alles te verzuipen. Hij maakte heel makkelijk een belofte om hem net zo snel weer te breken. De teleurstelling was groot om door onze vader steeds weer in de steek gelaten te worden.

Omdat mijn oma in de Hijermansflat woonde, mochten wij er biljarten. Hij had mijn broer en mij een partijtje biljarten beloofd en kwam het weer eens niet na. Henk en ik hadden er echt naar uitgekeken. Toen wilden we niets meer van hem weten. Onze moeder wist gelijk dat er weer wat met ons aan de hand was.

“Wat hebben jullie?”

“Pa Vervoort”, zo noemden we hem altijd, “heeft beloofd om ons mee te nemen naar oma om te biljarten, maar opeens wil hij niet meer. Wij zijn er klaar mee.”

“Laat hem toch gaan joh, die vent is gek. Jullie weten toch hoe hij is.”
“Ja maar wij hadden ons er op verheugd om bij oma langs te gaan.”

Mijn moeder ging naar de keuken en zetten een kopje thee en kwam met drie mokken thee binnen.

“Zitten aan tafel en luisteren.”

Met een hangend hoofd gingen wij zitten.

“Hij heeft het ook niet altijd makkelijk gehad, moet je weten. Hij had drie zussen: Cor, Pleun, Coba, en zijn broer Arie. Je vader was in de oorlog de held van het gezin. Hij stal brood en eten van de Duitsers. Dat kon hij als de beste, hij kwam altijd met eten thuis. Zelfs mensen in de straat kregen eten van hem. En denk nou niet dat het gemakkelijk ging. Alles werd door de Duitsers bewaakt. Maar hij was zo snel. Hij maakte een knoop van het zeil van een boot los en dan klom hij de boot in. Hij stopte alles onder zijn kleding en roetsj, ging er weer vandoor. Met open armen werd hij ontvangen. Er waren verraders die in de straat woonden, die probeerden hem dan met chantage nog meer eten af te troggelen. Hij was daar niet gevoelig voor en had schijt aan hen. Met lege handen liepen ze weg.

Als hij ruzie had, kwam zijn broer Arie erbij dan waren ze onverslaanbaar. Ook grote gasten wisten van zijn lef. Ze namen hem vaak mee op rooftochten om aan eten te komen. Tot die ene keer dat ze dachten dat er geen bewaking was. Ze werden allemaal opgepakt en moesten mee naar het politiebureau. Na uren moesten ze één voor één hun broek laten zakken en kregen zweepslagen. Ze gilden de hele tent bij elkaar. Je vader was pas negen jaar oud, de politie wilde hem naar huis sturen. Maar hij ging niet, hij ging bij de jongens van 16 en 18 jaar oud staan die nog stonden te snikken van de pijn. Toen liet ook hij zijn broek zakken. Iedereen moest er hard om lachen, zelfs de jongens die daarna een week  niet konden zitten. Ze hebben hem een paar zachte tikken met de zweep gegeven. Hij gilde net zo hard als die jongens. Als een lopend vuurtje ging het in de hele buurt rond. Iedereen moest er smakelijk om lachen. Toch hield hij ze wel in leven. Hij bleef stelen tot de oorlog was afgelopen.

Zijn broer Arie werkte in een jeneverstokerij, maar had last van uitval van zijn handen en benen gekregen. Daarvoor moest hij naar Utrecht of Nijmegen voor onderzoeken ze konden er toen niet achter komen wat er met hem aan de hand was. Hij kreeg heel zware medicijnen, daardoor kreeg hij last van puisten op zijn rug. Zijn zussen walgden ervan en lieten hem er gewoon mee lopen. Hij had er echt jeuk aan, het was ondragelijk voor hem. Ik had verkering met je vader en als ik hem dan zag wanhopen, nam ik hem mee naar de achterkamer en verloste hem van zijn puisten. Het was echt een smerig karwei om dat steeds te moeten doen. De arme donder. Ik zie hem nog werken met zijn gekromde handen van de pijn, maar hij wilde niet van opgeven weten. Hij stond uren in de tuin met een schoffel om het onkruid weg te halen. Tot aan zijn dood toe heeft hij gevochten. Nu weten ze wel wat voor ziekte het was: MS, een spierziekte die alles langzaam bij hem uit deed vallen. Je vader was held-af na de oorlog en raakte bovendien zijn enige broer kwijt. Dat heeft hem zeer gedaan. Als je dan niets meer betekent, gaat dat niet in je koude kleren zitten.

En nu naar je oma! Ga lekker biljarten met zijn tweeën.”

“Maar wij kennen de weg niet en we moeten met de bus!”

Ze pakte geld voor de bus: “Hier. En nu wegwezen.”

Onze oma was blij om ons te zien. Later stonden wij samen aan het biljart. Oma hield ons in de gaten en zat altijd met een groep oude dames te praten. Dat vond ze gezellig. Henk praat graag en ik ook, volgens mij hebben wij dat van haar. Ik mis haar nog steeds, in mijn gedachten zie ik haar lachen.

4 gedachten over “Mijn vader”

  1. Hallo Koos,

    Geweldig geschreven en nu ben ik ook weer even terug in de tijd geweest. Dankjewel en ga vooral zo door. Ik merk ook dat je er steeds beter in wordt. En je bent al zo’n geweldige verteller en nu ook een geweldige schrijver die steeds beter aan het worden is. Echt knap.

    Je broer Henk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.