Mijn moeder

Het is avond als ik nog even naar ma ga. Als ik aanbel gaat de deur meteen open. Ma vraagt: “Wil jij even snel naar de overkant lopen en een pakje tabak voor me halen met vloei? Snel, voor er iemand anders komt!”

Enigszins verrast pak ik het geld aan en ga naar snackbar aan de overkant. Binnen drie minuten sta ik voor haar met een pakje tabak. Ze grist het uit mijn handen en gaat naar de plaats. Ze draait een sjekkie, steekt hem op en neemt een paar flinke halen: “Hè hè, eindelijk!”

“Waar bent u mee bezig?”

“Die zeikerds willen dat ik stop met roken en ik heb het beloofd.”

“Wat doet u uzelf toch allemaal aan?”

“Je weet hoe ze zijn, als je geen tabak voor me gehaald had, had ik het zelf gedaan of ik had even naar de overkant gebeld. Geef me eens een pepermuntje van je.”

Ik geef haar aarzelend een pepermuntje.

“Ik heb het zo benauwd, daarom moet ik ermee stoppen, anders moet ik aan de zuurstof.”

“U weet toch zelf dat het slecht voor u is, daar heeft u een ander niet voor nodig. En nu maakt u mij nog medeplichtig ook.”

Elke keer dat ik nu bij ma kom, moet ik tabak halen of ze wil een paar sjekkies voor later in de nacht. Ik vertel haar dat ze alleen zichzelf ermee heeft: “Wat u doet is een kaartje aan uw grote teen.”

Ik blijf kalm maar zodra ik de deur achter me dicht trek, word ik bozer en bozer. Eenmaal thuis ga ik tegen Edith tekeer: “Hoe kan ze dat nou doen, ze weet dat ze dood gaat, zo!”

Ik blijf tekeer gaan en ze hoort het onverstoorbaar aan. “Ze is verslaafd en ze is bang,” zegt Edith zonder omhaal. Ik word nog bozer. Hoewel het de waarheid is, wil ik het niet horen.

“Weet je nog dat je moeder in elkaar zakte en ik een verwijskaart voor de cardioloog vond in de kast? Die kaart was een jaar geldig en toen ik hem vond had ze nog een week om een afspraak te maken. Ze had een nieuwe hartklep nodig en de longarts was ook bereid om haar twee nieuwe longen te geven. Mits ze stopte met roken. Je moeder vertelde me dat ze bang was om op de operatietafel te sterven en stoppen met roken wilde ze nooit van haar leven.”

De tranen staan in mijn ogen, het klopt. Maar ze kan er niet mee stoppen. Op een avond belt mijn zus: ma is opgenomen in het ziekenhuis.

“Wat hebben wij een eigenwijze moeder zeg, ik wilde de dokter voor haar bellen maar dat wilde ze niet, omdat het zo laat was. Naar mate de tijd verstreek werd het steeds erger, toen heb ik gewoon de dokter erbij gehaald. Die gaf mij de opdracht gelijk met haar naar het ziekhuis te gaan.

In het ziekenhuis kreeg ze een pufje en knapte daar meteen van op. Toen wilde ze naar huis, maar ze moest van de arts blijven. Ik ben daar zo boos op haar geworden en heb gezegd dat ik haar niet meer help als ze het weer benauwd krijgt. O ja Koos, wil jij alsjeblieft geen tabak meer aan haar geven, ik ben ook naar de snackbar geweest om het daar te vragen.”

Na een paar dagen is ma weer thuis. Als ik weer langskom wil ze een sjekkie van mij hebben. Ik laat haar weten dat ik daar niet meer aan meewerk. Als ik bij een neef kom die een paar deuren verder woont, krijg ik te horen dat ma bij hen heeft zitten paffen. Even ben ik boos, maar het is haar eigen keus, die kan ik niet voor haar maken. Op een avond kom ik weer bij haar langs en ziet ze er helemaal grauw uit. Ik pak de telefoon en ze begin piepend te roepen dat ze dat niet wil. Na een paar minuten staat de dokter voor de deur.

Weer krijgt ze een pufje en knapt zienderogen op. Fluisterend zegt ze dat ze weer naar huis kan en niet in het ziekenhuis wil blijven. Ik weiger: “U wacht maar af wat de dokter zegt, die maakt het uit en niet u.”

Ze moet weer blijven, dit keer duurt het twee weken voor ze weer thuis is. Niemand rookt nog in het bijzijn van ma. Toch kan ze het niet laten, ze krijgt het weer benauwd en als deze keer de dokter er weer bijkomt, laat ze met spoed een ziekenauto komen. Nog voor ze met ma op een brancard de gang uitrijden, valt haar hart stil. Ik schrik als ik het allemaal hoor van mijn zus Lenie.

Toch komt ze er weer bovenop. Maar nu zit ze aan de zuurstof en kan niet meer zonder. Eindelijk rookt ze niet meer, maar het is mosterd na de maaltijd. Boven slaapt ze niet meer, nu slaapt ze in de woonkamer.

Als het jaar wisselt komen wij altijd samen, maar nu zal alles anders zijn. Ze wil van geen wijken weten en is zelfs zwaar gepikeerd als ze hoort dat wij de jaarwisseling niet willen vieren om haar te sparen. Ze ontploft bijna, dan gaan we overstag. Het is als vanouds en na twaalf uur brengen we haar naar boven.

Iedereen is er zich van bewust dat ze langzaam achteruit gaat. Ik heb er niet alleen verdriet van, maar voel me ook machteloos. Soms is ze even goed en praten we over vroeger, hoe wij gelachen hebben met Michel. We hebben heel moeilijke tijden gehad, maar ook intens geluk. Ik had het voor geen goud willen missen. Nu zit Michel in Spanje waar hij geboren is en geniet hij van zijn pensioen. Elk halfjaar komt hij naar ma en zorgt met alle liefde voor haar. Het geeft ons lucht dat er iemand bij haar is en wij zijn altijd blij als we hem weer zien.

Het wordt steeds zwaarder om haar naar lucht te zien snakken. Mijn vader komt bij haar langs met zijn vriendin Nel, zij kaarten ook graag.

Mijn jongste broer heeft een huis in Schiedam Oost. Hij stelt voor dat ma bij hem gaat wonen, “Dan kunnen wij haar voortaan in de gaten houden en voor haar zorgen.” Er valt een last van mijn schouders. “Ze gaat op de benedenverdieping wonen en wij boven. Per slot van rekening hebben wij een heel pand.”

Ik zit in een flatje op twee hoog, anders had ik het ook wel willen doen. Iedereen is hem dankbaar. Het is even wennen en als ik in de buurt kom van het huis waar ma heeft gewoond, denk ik aan vroeger en voel een vaag gemis. Vreemd dat er nu andere mensen in het huis wonen. Ondanks de goede zorgen van mijn broer en zijn vrouw, gaat ma verder achteruit.

Ze zegt telkens dat ze er geen zin meer in heeft. Uiteindelijk belandt ze weer in het ziekenhuis. Na een week moet ik een mondkapje voor op haar kamer.

Ze zegt dat de medicijnen die ze krijgt heel zwaar zijn en dat ze het dit keer niet gaat redden. Ze wil ook niet meer gereanimeerd worden. Ik begrijp haar beslissing, ook al valt het me zwaar. Ze is ineens niet meer aanspreekbaar, ze slaapt de hele tijd en glijdt steeds verder weg. Mijn zus komt binnen, ze heeft een afspraak met de longarts. Ze vraagt of ik ook wil komen. We krijgen te horen dat ma’s nieren niet meer goed functioneren. Ze krijgt spuitjes om ze op gang te houden.

“Maar ik wil jullie ook vragen of het goed is om haar te reanimeren als het nodig is.”

“Nee, daar gaan wij niet aan beginnen.”

Hij vertelt dat ze tegen een coma aan ligt. Toch houden wij voet bij stuk. Hij haalt er een zuster bij die ons een overnachting aanbiedt. Wij slaan het af. Als ik thuiskom baal ik er nog steeds van, wat een houding voor een arts. Iemand die zoveel heeft geleerd zou toch verstandiger en waardiger moeten zijn. Ik praat erover met Edith. Het blijft tot diep in de nacht door mijn gedachten spelen. Als ik eindelijk in slaap val, word ik wakker van het gerinkel van de telefoon.

Mijn zus vertelt snikkend dat onze moeder is overleden. Snel kleed ik me aan en ga naar het ziekenhuis waar ze me al staat op te wachten. Snikkend slaat ze haar armen om me heen. Ik slaak een diepe zucht. Huilen kan ik niet, totdat ma begraven wordt en tante Sjany naar me toe komt. Ik ben vaak bij haar op visite geweest met ma. Alles komt terug en dan pas barst ik in tranen uit.

Ik herinner me dat ma en ik samen aan tafel zitten. Zomaar begint ze te praten: “Ik ben onder de indruk van je hoe je veranderd bent, waarschijnlijk zal dat nog wel verder doorgaan. Ik had je niet moeten vergelijken met je vader, jij bent toch heel anders.”

Ze legt me ook uit dat er geen andere keus was, dan om me indertijd naar het internaat te sturen. Ik besef dat de frustraties over mijn opvoeding, mijn gevoeligheid en de omgeving waarin ik ben opgegroeid ervoor gezorgd hebben dat ik me tegen alles en iedereen ben gaan afzetten. Vooral tegen haar.

We zitten uren te kletsen als moeder en zoon, voor het eerst op een open en respectvolle manier. Ik ben blij dat ze uitleg heeft gegeven en mij accepteert voor wie ik ben.

De pijn die ik al die jaren heb gevoeld trekt weg en ik ervaar nu des te meer hoeveel ik van haar houd. 

Uit het niets zegt ze dan: “Als je in de toekomst zo nodig je vuile was buiten wil hangen om anderen te helpen, dan moet je dat maar doen. Ik kan daar wel tegen.” Ik snap op dat moment niet wat ze bedoelt.

4 gedachten over “Mijn moeder”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.