Een jasje van Mevrouw Snijders

ligt hier een jasje tussen?Als ik ‘s middags thuiskom van school, stuurt mijn moeder me naar de Mariastraat. Mevrouw Snijders heeft een heel mooi jasje voor me liggen, zegt m’n moeder. Ik krijg een kwartje in mijn hand gedrukt. De zaak van mevrouw Snijders  is helemaal achter in de straat. Ik kom nooit verder dan Jaap en zijn patatzaak. Ik voel mijn hart hard kloppen, ik ga voor mijn gevoel op wereldreis. Gespannen loop ik de patatzaak voorbij. Wat zal er gebeuren? Wie ga ik zien? Het spookt door mijn hoofd. Als ik voor mijn gevoel wel een half uur heb gelopen, zie ik aan het einde van de straat een deur openstaan.

Het is een gewoon woonhuis, maar wel groot, zie ik. Ik kijk nieuwsgierig naar binnen. Het huis is helemaal gesloopt vanbinnen; er is alleen nog een houten vloer en de stenen muren. De muren kan je haast niet zien, die zijn onzichtbaar door de stapels kleren. Ertussen loopt een smal pad. Je hoort af en toe de vloer kraken als je erop loopt. Het huis is van hoek tot hoek gevuld met  allemaal oude kleren, opgestapeld tot het plafond. Zoiets heb ik nog nooit gezien, alle kleuren van de regenboog. Wat een zooitje, gaat er door mijn hoofd. Ik sta met open mond te kijken.

Het ruikt naar oude kranten: muf en een beetje beschimmeld. Ik zie een trap. “Hallo”, roep ik omhoog, “is daar iemand?” Het echoot, maar niemand reageert. Dan roep ik wat harder, en nog maar een keer. Opeens komt er vanachter een stapel kleren een reusachtige vrouw tevoorschijn. Ze lijkt minstens 2 meter.  Nog nooit heb ik zo’n grote dikke vrouw gezien, met enorm grote armen en handen als kolenschoppen.

“Wat mot dat hier”, roept ze met luide stem. Ik schrik me rot, draai me om en maak dat ik weg ben. Ik ren naar huis alsof mijn leven ervan afhangt. Dit was iets te spannend. Maar mijn moeder stuurt me terug naar mevrouw Snijders. Wat ik ook voor smoes verzin, ik kom er niet onderuit. Opeens zegt ze: “Ben je soms bang van een dikke dame?” Ze begint heel hard te lachen. Nu heb ik geen andere keus, ik moet wel terug. Anders heb ik straks geen leven meer, als mijn broers thuis komen. Dan ga ik nog liever naar mevrouw Snijders en trotseer ik het gevaar! Eenmaal in de straat zie ik mevrouw Snijders al van verre staan. Ze kijkt me recht aan en zegt: “Niet weglopen, gewoon blijven staan!”

“Ja, mevrouw”, ik kijk naar beneden om zo oogcontact te vermijden.

‘’Van wie ben jij er één?”

“Van mevrouw Vervoort.”

“ O ja, jij komt voor dat jasje.”

Ik kijk nog steeds naar mijn voeten. Dan pakt ze een jasje van een grote stapel en geeft het aan mij. Ik pas het aan. Mevrouw Snijders wijst naar een grote spiegel aan de muur en ik ga ervoor staan. Verbaasd kijk ik naar mezelf. Potverdikke dat ziet er goed uit! Zoiets heb ik nog nooit gehad. Het jasje zit als gegoten, wat voor stof het is weet ik niet, maar het heeft een mooie donkergrijze kleur. Ik voel me echt het ventje.

“Dat is dan 50 cent”, hoor ik mevrouw Snijders ineens zeggen.mevrouw snijders

“Zoveel heb ik niet, mijn moeder heeft een kwartje met u afgesproken”, zeg ik nuchter. Mijn moeder heeft me op voorhand al gewaarschuwd dat mevrouw Snijders dit zou doen. “Ze is een aasgier”, zei mijn moeder, “dus let goed op!”

Ze houdt haar hand op en zegt: “Geef het maar.” Met haar ene hand grijpt ze in de gleuf tussen haar tieten. Er zit niet eens echt een gleuf, ik zie alleen maar tieten, maar die hand weet zijn weg te vinden. In een flits schiet er door me heen: als ik daar in val word ik nooit meer gevonden!

Ze mompelt: “Waar zit dat klereding.”

Ik kan mijn ogen niet geloven. Een reusachtige zwarte portemonnee komt ertussen vandaan, het lijkt wel een goocheltruc. Mijn hart klopt in mijn keel en ik sta te trillen op mijn benen, het liefst ren ik weer naar huis. Allemachtig wat spannend.

“Mag ik nu gaan mevrouw”, vraag ik. Maar nog voordat ze antwoordt ren ik als een speer naar huis.

Als mijn broers het hele verhaal horen reageren ze heel anders dan ik had verwacht. Ze pesten me niet maar herkennen het verhaal en vinden me stoer dat ik toch gegaan ben. Ook zij zijn geweest en waren net zo bang als ik! Natuurlijk gaat het over hoe groot haar tieten wel niet zijn, hoe haar arm verdwijnt op zoek naar die grote portemonnee.

Ik ga vaker naar mevrouw Snijders en ben niet meer bang. Nu ben ik een vaste klant. Op een keer sta ik binnen te wachten tot ze eraan komt.  Ineens staat er een dronken vent voor me.

”Klerenjong, wat kom jij hier doen? Gaan we stelen?”

Ik schrik en wil de benen nemen, hij springt voor me, ik kan geen kant op. Dan klinkt de luide stem van mevrouw Snijders, ze vloekt en tiert dat het een aard heeft.  Met een enorme zwaai tilt ze hem met één hand de lucht in. Zó over me heen. Verstijfd van angst sta ik aan de grond genageld. Ze loopt langs me. Ik draai me om, het is alsof ik naar een film kijk. Dan zie ik hoe haar vuisten op het gezicht van de dronken kerel belanden. Ik ben nog maar zes. Het is me teveel en ik ren het pand uit, recht naar huis. Thuisgekomen zie ik dat de hele familie bij elkaar is. Ik vertel wat ik heb beleefd. Iedereen huilt van het lachen. Ze kunnen gewoon geen lucht meer krijgen, het wordt steeds erger. Zelfs mijn moeder huilt van het lachen!

“Ik vind er niets aan, jullie zijn gemeen!” schreeuw ik. Ik snap er ook niets van. De ene keer vinden ze me stoer dat ik naar mevrouw Snijders durf en de andere keer lachen ze me uit voor iets nog veel enger is. Mevrouw Snijders valt best mee als je haar een beetje kent.

Voor het uit de hand loopt grijpt mijn moeder in. Langzaam keert de rust weer terug. De volgende dag ga ik weer naar haar toe.

“Mevrouw Snijders?”

“Hier”, roept ze terug, “ik kom eraan. Niet meer weglopen hoor!” Dan komt ze tussen de groten balen lorren tevoorschijn. Ze haalt een paar mooie bloesjes tevoorschijn.

“Hier, trek eens aan.”

Het zit als gegoten. Blij als ik ben met mijn nieuwe kleren besluit ik het aan te houden en loop naar buiten. De zon schijnt en ik voel me blij.

“Hé, armoedzaaier, dat is mijn bloes geweest!”  Het gaat door merg en been. Aan de overkant van de straat staat een jongen, hij lacht en wijst naar me, zijn vriendjes zijn erbij. Ik begint te trillen van schaamte. Ik draai me om en ren bij mevrouw Snijders naar binnen. Zonder een woord te zeggen trek ik de bloes uit en maak de koop ongedaan. Ze is er niet over te spreken en vraagt me waarom. Ik geef geen antwoord en loop naar buiten.  Het joch begint weer te roepen, het liefst wil ik hem op zijn bek slaan. Mevrouw Snijders komt de deur uit gestormd. Ze onderbreekt hem woedend:

kleren“Ben je nou verdomme weer bezig, ik neem van jullie geen kleren meer aan!”

Ik ren snel naar huis. Onderweg denk ik: hij heeft gelijk, ik ben een armoedzaaier. Ik heb geen cent te makken, geen vrienden die naar me omkijken. Thuis ontplof ik tegen mijn moeder. Alle frustratie komt eruit. Ze hoort het gelaten aan en geeft me gelijk. Ze loopt naar de keuken schenkt  thee in. “Nog niet eens geld voor koffie”, hoor ik haar mompelen.

Eén ding staat vast voor mij: nooit meer naar mevrouw Snijders.

Mevrouw Snijders vertelde later aan mijn moeder dat ze het jammer vond dat we niet meer gekomen zijn. Maar ze begreep het wel.

 

5 gedachten over “Een jasje van Mevrouw Snijders”

  1. Ja Koos, ik weet er alles van. Wij gingen haar pesten, ze kon toch niet hard lopen. Het verhaal klopt, alles komt weer naar boven. Die slechte oude tijd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.