Een jasje van Mevrouw Snijders

Als ik na een paar maanden ‘s middags thuiskom van school, stuurt ma me naar mevrouw Snijders. Die heeft een mooi jasje voor me liggen, zegt ze. Ik krijg een kwartje. De zaak van mevrouw Snijders is helemaal achterin de Mariastraat. Ik kom nooit verder dan Jaap en zijn patatzaak. Als ik voor mijn gevoel wel een halfuur heb gelopen, zie ik aan het einde van de straat een deur openstaan.

Ik kijk nieuwsgierig naar binnen. Het huis is helemaal gesloopt vanbinnen. De vloer en de muren zijn onzichtbaar door de stapels kleren, alle kleuren van de regenboog. Het ruikt naar oude kranten. Ik zie een trap. “Hallo,” roep ik omhoog, “is daar iemand?”

Vanachter een stapel kleren komt een reusachtige vrouw tevoorschijn. Ze lijkt minstens twee meter. Nog nooit heb ik zo’n grote dikke vrouw gezien, met enorm grote armen en handen als kolenschoppen.

“Wat mot dat hier!,” roept ze met luide stem.

Ik draai me om en ren naar huis alsof mijn leven ervan afhangt. Dit was iets te spannend. Maar ma stuurt me terug, ik kom er niet onderuit. “Ben je soms bang van een dikke dame?” Ze begint heel hard te lachen.

Ik moet wel terug, anders heb ik straks geen leven meer als mijn broers thuiskomen. Terug in de Mariastraat zie ik mevrouw Snijders al van verre staan. Ze kijkt me recht aan en zegt: “Niet weglopen!”

“Ja, mevrouw.” Ik kijk naar beneden.

“Van wie ben jij er één?”

“Van mevrouw Vervoort.”

“O ja, jij komt voor dat jasje.”

Dan pakt ze een jasje van een grote stapel en geeft het aan mij. Ik pas het aan. Mevrouw Snijders wijst naar een grote spiegel aan de muur en ik ga ervoor staan. Verbaasd kijk ik naar mezelf. Dat ziet er goed uit! Zoiets heb ik nog nooit gehad. Het jasje zit als gegoten, het heeft een mooie donkergrijze kleur. Ik voel me echt het ventje.

“Dat is dan 50 cent.”

“Zoveel heb ik niet, ma heeft een kwartje met u afgesproken,” zeg ik nuchter. Ma heeft me al gewaarschuwd dat mevrouw Snijders dit zou doen. “Ze is een aasgier,” zei ze, “dus let goed op!”

Mevrouw Snijders houdt haar hand op en zegt: “Geef het maar.” Met haar ene hand grijpt ze in de gleuf tussen haar tieten. Een reusachtige zwarte portemonnee komt ertussen vandaan, het lijkt wel een goocheltruc.

“Mag ik nu gaan mevrouw?,” vraag ik. Maar nog voor ze antwoordt, ren ik als een speer naar huis.

Als mijn broers het hele verhaal horen reageren ze heel anders dan ik had verwacht. Ze pesten me niet, maar herkennen het verhaal en vinden me stoer dat ik toch gegaan ben. Ook zij zijn geweest en waren net zo bang als ik. Natuurlijk gaat het over hoe groot haar tieten wel niet zijn, hoe haar arm verdwijnt op zoek naar die grote portemonnee.

Ma stuurt me vaker naar mevrouw Snijders. Op een keer sta ik te wachten tot ze eraan komt. Ineens staat er een dronken vent voor me: “Klerenjong, wat kom jij hier doen? Gaan we stelen?”

Ik schrik en wil de benen nemen, hij springt voor me, ik kan geen kant op. Dan klinkt de luide stem van mevrouw Snijders, ze vloekt en tiert dat het een aard heeft. Met een enorme zwaai tilt ze hem met één hand de lucht in. Zó over me heen. Ze loopt langs me. Ik draai me om, het is alsof ik naar een film kijk. Dan zie ik hoe haar vuisten op het gezicht van de dronken kerel belanden. Ik ren recht naar huis. Thuis zie ik dat de hele familie bij elkaar is. Ik vertel wat ik heb beleefd en iedereen huilt van het lachen, zelfs ma!

“Ik vind er niets aan, jullie zijn gemeen!” schreeuw ik. Ik snap er niets van. De ene keer vinden ze me stoer dat ik naar mevrouw Snijders durf en de andere keer lachen ze me uit voor iets dat nog veel enger is. Mevrouw Snijders valt best mee als je haar een beetje kent. De volgende dag ga ik weer naar haar toe.

“Mevrouw Snijders?”

“Hier,” roept ze terug, “ik kom eraan. Niet meer weglopen hoor!” Dan komt ze tussen de groten balen lorren tevoorschijn. Ze pakt een paar mooie bloesjes.

“Hier, trek eens aan.”

Blij als ik ben met mijn nieuwe kleren besluit ik het aan te houden en loop naar buiten. De zon schijnt en ik voel me blij.

“Hé, armoedzaaier, dat is mijn bloes geweest!”

Aan de overkant van de straat staat een jongen, hij lacht en wijst naar me, zijn vriendjes zijn erbij. Ik draai me om en ren bij mevrouw Snijders naar binnen. Zonder een woord te zeggen trek ik de bloes uit en maak de koop ongedaan. Ze is er niet over te spreken en vraagt me waarom. Ik geef geen antwoord en loop naar buiten. Het joch begint weer te roepen, het liefst wil ik hem op zijn bek slaan. Mevrouw Snijders komt de deur uit gestormd: “Ben je nou verdomme weer bezig, ik neem van jullie geen kleren meer aan!”

Onderweg naar huis denk ik: hij heeft gelijk, ik ben een armoedzaaier. Ik heb geen cent te makken en geen vrienden die naar me omkijken. Thuis ontplof ik tegen ma. Alle frustratie komt eruit. Ze hoort het gelaten aan en geeft me gelijk. Ze loopt naar de keuken schenkt thee in. “Nog niet eens geld voor koffie,” hoor ik haar mompelen.

5 gedachten over “Een jasje van Mevrouw Snijders”

  1. Ja Koos, ik weet er alles van. Wij gingen haar pesten, ze kon toch niet hard lopen. Het verhaal klopt, alles komt weer naar boven. Die slechte oude tijd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.