Honger

Ome Piet, Antonio, Koos, opa, vader
Ik zit hier in het midden

Voor het eerst ga ik naar de lagere school. Ik voel me een hele bink. Ik krijg les van juffrouw Sleutelring. Ze heeft een zwarte bril op en kijkt streng uit haar donkere ogen. Haar zwarte haar vind ik heel erg mooi en ze heeft een slank figuur. Ze vertelt hoe het er aan toegaat en hoe laat de pauzes zijn. Ook dat we voor de school moeten blijven, dus niet op straat mogen. En we moeten uitkijken voor het verkeer. Als het eindelijk pauze is begrijp ik waarom. Wij hebben geen schoolplein en we spelen voor de deur. Natuurlijk komen we toch op de straat, waar ook de auto’s, fietsers en brommers rijden. Regelmatig gebeuren er ongelukken.

Het vreemde van alles is dat er aan de andere kant van onze school nóg een school zit. Die heeft wel een grote speelplaats. Het is een protestantse school en zei zeggen dat er voor ons geen plaats is. Dus spelen we gewoon op straat. Al snel heb ik een paar vrienden gemaakt en die vragen of ik met hen mee ga naar dat schoolplein in de pauze. Natuurlijk ga ik mee. Als we op het schoolplein aankomen is het nog stil. Maar al snel stormen ook hier de kinderen de school uit. Wat zijn het er veel, wat leuk om daar te spelen! Hier ga ik voortaan naar toe, neem ik mij voor.

juffrouw sleutelring
Juffrouw Sleutelring en een klas (niet van Koos) met dank aan Jenny (zie reacties)

Om 11:00 uur krijgen de kinderen schoolmelk. Behalve een jongen en ik. Wij snappen niet waarom  wij geen schoolmelk krijgen.  Thuis vraag ik aan mijn moeder waarom ik geen schoolmelk krijg.

‘Omdat er geen geld voor is. Je broers krijgen ook geen schoolmelk, dus ophouden met zeuren. Er is ook geen brood te eten, dat komt door je vader die weer eens in de kroeg zit. Ga maar naar je oma en opa en vraag of zij een boterham hebben voor je.’ Voor ik kan tegensputteren, zegt ze: ‘En je gaat toch naar school.’

Snel ga ik naar mijn oma en opa, daar krijg ik te horen dat mijn broers ook al zijn geweest. Gelukkig krijg ik een boterham met pindakaas. De andere dag is er nog steeds geen brood. Om tien uur houd ik het niet meer uit, zo’n honger heb ik. Er is nog steeds geen brood en zo gaan er drie dagen voorbij: niets in de morgen, niets in de middag en niets in de avond. Ik voel me slap maar ik heb geen honger meer.  Het kan me ook niets meer schelen. Als ik mijn oudere broer tegenkom op school,  vraagt hij of ik mezelf wel lekker voel.

‘Ja, hoezo? Ik voel me prima hoor.’

‘Zo zie je er niet uit. Wanneer heb jij voor het laatst gegeten?’

‘Twee dagen geleden’, zeg ik. Met grote ogen kijkt hij me aan.

‘Waarom vraag je aan opa en oma geen boterham?’

‘Omdat ze dan zeggen dat ze geen brood meer hebben.’

‘Bij jou dus ook al. Weet jij waar tante Katrien woont?’ vraagt hij. Ja, dat weet ik wel. Vlak bij de dokter.

‘Precies. Als het middag is, ren je zo hard als je kan daar naartoe. Dan krijg je een boterham, ze is erg aardig.’

Als het pauze is doe ik wat hij me heeft verteld. Het was waar. Ik heb inderdaad brood gekregen,   heerlijk vers brood. Maar als ik er twee keer ben geweest, kom ik te laat en hebben ze al gegeten. Tante Katrien kijkt me aan en zegt: ‘Sorry maar we hebben al gegeten. Je komt net te laat of heb je honger? Wil je een boterham van ons hebben?’

‘Nee hoor’, zeg ik. ‘Ik kom gewoon op visite.’

Na een kwartiertje ga ik teleurgesteld en vol schaamte weer naar school. Daar hoef ik dus ook niet meer naar toe te gaan. Voor de rest weet ik niemand waar ik wat te eten kan halen, overal word ik weggestuurd. Ik heb besloten om nooit meer om eten te vragen. Ik geef mijn vader en moeder de schuld van alles en ben ontzettend boos op ze.

Dan zijn mijn kleren ook versleten en er is geen geld voor andere kleren. Mijn moeder zegt dat het door mijn vader komt en dat ze de dag vervloekt dat ze met hem is omgegaan. Maar daar heb ik niets aan.

Op een middag kom ik thuis en de tafel is gedekt. Er staat brood met beleg en thee op tafel. Mijn ogen vallen er bijna uit van verbazing. Ik vraag wat er aan de hand is.

‘Mond dicht’, zegt mijn moeder ‘en eten. Eerst je handen wassen en je netjes voorstellen aan deze mevrouw.’

Ik stel me voor en ga dan mijn  handden wassen. Van het eten op tafel geniet ik volop voor ik weer naar school ga. Als ik aan het eind van de middag weer thuiskom zeg mijn moeder tegen mij en mijn broer dat we een tijdje op vakantie gaan. Alleen wij tweeën, voor zes weken naar een kolonie. Later zegt mijn broer tegen me: ‘Het is geen echte vakantie, maar om bij te komen. Omdat we te weinig  eten krijgen en daar hebben ze genoeg. Ik ben er al een keer geweest. Je hoef je geen zorgen te maken, ik let wel op je dat je niet wordt geplaagd.’

Twee weken later brengt ma ons naar het station. Daar staat een bus en mijn moeder geeft ons een dikke pakkerd. Ze zegt: ‘Als je hier weer terugkomt moet je hier blijven wachten. Niet weglopen, maar blijven staan, hoor je me.’

We stappen in en weten niet waarheen. Na een paar uur rijden komen we in Voorthuizen aan. Er staan allemaal zusters ons op te wachten en zij begeleiden ons naar binnen. We worden opgedeeld in jongens en meisjes. Als we onze spullen hebben opgeruimd moeten we naar beneden waar we een warm onthaal krijgen van de hoofdzuster. Ze vertelt wat we allemaal niet mogen doen. Dan komt er een heerlijke geur ons tegemoet. Wat ruikt dat heerlijk! Ik hoor niets meer, zie niets meer en geniet alleen nog maar van die geur. Ik proef het bijna. Er gaat een luik open en er komen grote stalen schalen met eten doorheen geschoven. Macaroni. Wat heerlijk, dit heb ik nog nooit zo gegeten. We moeten eerst bidden. Dan dient een van de zusters het op. Daarna mogen we nog niet eten. We moeten eerst wachten tot iedereen heeft. Eindelijk mogen we beginnen. Binnen een minuut heb ik mijn bord leeg en vraag meteen of er nog een beetje over is. Ik krijg nog zo’n bordje. Deze dag ga ik nooit meer vergeten.

Als we gegeten hebben zegt de hoofdzuster dat we naar onze kamer moeten en moet gaan slapen.

Sommige kinderen denken dat ze een geintje maakt, het is nog vroeg. Maar al gauw blijkt ze bloedserieus te zijn. Als ik op bed leg denk ik: het maak me niet uit of ik nu op bed lig of niet. Ik heb zo lekker gegeten. Dan val ik in slaap.

 

 

 

 

11 gedachten over “Honger”

    1. Hallo Jenny,
      Bedankt voor je foto ik wat zeker weet is dat het de zelfde school ik en de juffrouw, of ze nog in leven is weet ik niet?
      maar wel leuk om haar op de foto te zien.

      Gr, Koos

    1. Hallo Anne,

      Geloof me ik heb jongens gekend die het nog slechter hadden.
      Ik weet dat er nu kinderen zijn die het slecht hebben!
      Dat doet me veel verdriet en dat in deze tijd.
      Gelukkig zijn er ook scholen die een ontbijt aanbieden voor alle leerlingen, zo hoeven ze zich niet te schamen.
      Dat is dan een heel mooi voorbeeld hoe het ook kan.
      Gr. Koos

  1. Mooi geschreven, Koos. Oude tijden herleven door dat schrijven van jou. Mijn vrouw en ik lezen aandachtig jou blogs en vinden ze erg leuk om te lezen. Ook ik heb deze tijd meegemaakt. Dat had je veel in die grote gezinnen. Nou, in ieder geval: ga zo door en wij volgen met lezen. Groetjes van een oude vriend.

    1. Hallo Constant,

      Een vriend zal je altijd blijven!
      Ik weet niet of je je heb ingeschreven?
      Aan de linkerkant van het scherm vul je e-mail en voornaam in.
      Je krijgt dan automatisch een bericht als er een nieuw verhaal verschijnt.

  2. Ha Koos
    Wat kan jij mooi en beeldend schrijven! Echt top. Ik ben echt geraakt door je verhaal en je zoektocht naar eten vroeger. Mooi om te lezen dat familieleden je vaak hebben geholpen. Zonder hulp kom je minder ver.
    Dank je wel voor het delen hiervan. Echt mooi.
    Vele groeten
    Arjan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.