Het verlies van mijn moeder

Mijn jongste broertje heeft een huis in Schiedam Oost. Op een dag belt hij en vraagt. “Hoe zou jij het vinden als ma bij mij gaat wonen, dan kunnen wij haar voortaan in de gaten houden en voor haar zorgen?”

Hij weet niet hoe blij ik ben dat hij dat aan mijn vraagt, de tranen lopen over mijn wangen. Eindelijk valt er een last van mijn schouders en hoef ik me geen zorgen te maken hoe het met haar gaat. Toch vraag ik hem of hij wel goed begrijpt waar hij aan begint.

“Ja wij hebben er geen problemen mee. Alleen moeten jullie dan naar ons toe komen om haar te zien. Ze gaat op de benedenverdieping wonen en wij boven. Per slot van rekening hebben wij een heel pand.”

Ik bedank  hem dat hij die rol op zich neemt. Ik zit in een flatje op twee hoog, anders had ik het ook wel willen doen.

Iedereen is hem dankbaar. Nu ga ik voortaan naar mijn moeder in Schiedam Oost. Het is even wennen en als ik in de buurt kom van het huis waar mijn moeder heeft gewoond, denk ik aan vroeger en voel een vaag gemis. Vreemd dat er nu andere mensen in het huis wonen. Ondanks de goede zorgen van mijn broer en zijn vrouw, gaat mijn moeder langzaam achteruit.

Het kost me steeds meer moeite om naar haar toe te gaan, omdat ze telkens zegt dat ze er geen zin meer in heeft. Ik weet niet wat ik ermee moet doen. Uiteindelijk belandt ze weer in het ziekenhuis. Ze ligt helemaal apart omdat er niet genoeg plaats is voor haar. Na een paar keer zegt ze dat ze naar een andere kamer gaat verhuizen. Ze vindt het maar niets om alleen te liggen. Mijn zus Hennie heeft ervoor gezorgd dat ze tv kan kijken als ze alleen is. Na een week is ze verhuisd en ik moet een mondkapje voor, anders mag ik niet naar binnen. Ik doe het maar. Ze ligt te slapen en de tv staan aan met het geluid zacht. Ik wil haar niet wakker maken en ga naast haar bed zitten. Opeens wordt ze wakker en zegt: “Wat doe jij hier?“

“Ik ben op bezoek gekomen, maar u lag te slapen, dus wachtte ik rustig af totdat u weer wakker werd.” Wat mij gelijk de gelegenheid geeft om te vragen waarom wij een mondkapje voor moeten.

“Doe het nu maar, ik heb waarschijnlijk TBC en dat is besmettelijk.”

“Ma jij hebt geen TBC, dat weet ik zeker!”

“Toch hou je het voor mij op, anders ga je maar weg.”

Dan zegt ze dat de medicijnen die ze krijgt heel zwaar zijn het dat ze dit keer het niet gaat redden om het ziekenhuis levend te verlaten. Ze wil ook niet meer gereanimeerd worden. Ik begrijp haar beslissing, ook al valt het me zwaar. Door de medicijnen gaat ze hard achteruit. Ze is ineens niet meer aanspreekbaar, ze slaapt de hele tijd en glijdt steeds verder weg. Mijn zus Henny komt op een keer binnen wandelen als ik er ben. Ze heeft later die avond een afspraak met de longarts. Ze vraagt of ik ook wil komen. We krijgen te horen dat haar nieren niet meer goed functioneren. Ze krijgt er spuitjes voor om ze op gang te houden.

“Maar ik wil jullie ook vragen of het goed is om haar te reanimeren als het nodig is.”

“Nee, daar gaan wij niet aan beginnen.”

“Maar wij kunnen haar terug halen!”

“Kijkt u nu eens goed maar mijn moeder, ze snakt naar een beetje lucht. Kunt u haar daar vanaf helpen? Dan wil ze misschien wel gereanimeerd worden.”

“Nee, maar we kunnen wel haar leven verlengen.”

“Nee!” roept Henny, “Dat wil ze niet meer.”

Toch blijft de longarts nog tegensputteren, hij gaat zelfs zo ver dat hij mijn moeder oppakt en met haar gaat lopen schudden en roept: “Mevrouw Vervoort, mevrouw Vervoort!”

Eindelijk reageert ze met heel veel moeite. Hij vertelt dat ze tegen een coma aan ligt.  Toch houden wij voet bij stuk. Het gaat niet gebeuren. Hij haalt er een zuster bij die ons een overnachting aanbiedt. Wij slaan het af. Als ik thuiskom baal ik er nog steeds van, wat een houding en dat van een arts. Iemand die zoveel heeft geleerd, zou toch verstandiger en waardiger moeten zijn. Ik praat erover met Edith. Het blijft tot diep in de nacht in mijn gedachten spelen. Als ik eindelijk in slaap val word ik wakker van het gerinkel van de telefoon.  Henny vertelt snikkend dat onze moeder is overleden. Snel kleed ik me aan en ga naar het ziekenhuis waar mijn zus me al staat op te wachten. Snikkend slaat ze haar armen om me heen. Ik zelf slaak een diepe zucht, en denk: het is voorbij. Alles waar ik naar verlangde om haar nog te zeggen kan niet meer. Huilen kan ik niet, totdat mijn moeder begraven wordt en tante Sjany naar me toe komt gelopen. Ze ging vroeger heel goed met mijn moeder om en woonde dichtbij. Ik ben vaak bij haar op visite geweest met mijn moeder. Alles komt terug en dan pas barst ik in tranen uit. Met gemende gevoelens ga ik dagenlang door het leven. Snel hervat ik ook mijn werk om mijzelf af te leiden van het verdriet. Ik weet dat het zo beter is, maar wat doet dat zeer als je je eigen moeder weg moet brengen. Als ik jaren later mijn boek Dit is pas het begin schrijf, moet ik nog een traantje pinken van gemis. Ooit had ze tegen me gezegd: “Als jij zo nodig de vuile was buiten moet hangen en je denkt dat je een ander ermee kan helpen, moet je het maar doen.”

Ze kon het niet weten, maar toch had ze het voorzien. Zo was mijn moeder.

moeder

4 gedachten over “Het verlies van mijn moeder”

  1. Heel mooi verwoord Koos. En heel moedig van je om te vertellen . Ik heb er nog steeds een beetje moeite mee om over de mensen die ik verloren heb te praten . Dat blijft zeer doen . En nu moet ik Dinsdag weer naar de Beukenhof . Afscheid nemen van een andere neef van me . Ik kom er veel te vaak . Dat heb je als je ouder wordt . Vergeet nooit dat ik van jullie hou en trots op je ben. En jouw moedertje nam een heel belangrijke plaats in in mijn leven . We hebben elkaar vaak geholpen en getroost . Liefs van Sjany

  2. Mooi gescheven koos ze was een hele lieve tante je was altijd welkom bij haar ik vergeet haar nooit voor altijd in mijn ❤

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.