Het lukt niet op school

Ik droom en filosofeer over het leven en het nut daarvan. Het liefst zou ik iedereen willen vertellen wat ik voel, maar dat begrijpen ze toch niet. Later als ik groot ben moet ik er misschien eens over gaan vertellen. Dan weet ik misschien wel hoe ik dat moet doen.

Op school gaat het steeds slechter. Ik heb de grootste moeite met lezen, schrijven, rekenen en vooral luisteren.

Elke dag sta ik om vijf uur op, omdat er dan nog een kans is dat ik een boterham in de trommel vind. Als ik in de keuken kom, staat Henk er al. Hij wijst naar de bovenste plank: “Als jij bukt, ga ik op je schouders staan en kijk in de broodtrommel.”

Zijn gewicht duwt mijn hoofd tussen mijn schouders. Het doet goed pijn.

“Verdomme, alle moeite voor niets. Weer zonder eten naar school.”

Mijn hoofd doet zo’n zeer dat ik naar voren knik, daardoor verliest Henk zijn evenwicht en dondert met de inhoud van de kast op de grond. Op dat moment komt ma langs: “Stelletje gekken, er zit geen brood in. Je vader heeft weer alles verzopen in de kroeg.”

Ik zit nu een week in de eerste klas van de lagere school. Op een tafeltje voor mij ligt een appel. Hij is van een jongen die altijd fruit bij zich heeft. Een mooie, rode appel. Ik moet ervan slikken. Snel kijk ik de andere kant op. Alles in mij wil die appel pakken omdat ik zo’n honger heb. Maar ik weet zeker dat ik dan echt in de problemen kom. Het enige wat ik nog kan doen is met mijn hoofd onder mijn tafel te gaan zitten en wachten tot hij op is. Hij neemt vanaf dat moment elke dag een appel mee.

Vriendjes maken gaat ook al niet. Als het pauze is en ik buiten ben, krijg ik zomaar een klap. Ik voel iets warms over mijn lippen lopen. Ik haal mijn hand langs mijn mond en zie bloed. Maar voor ik wat kan doen, zie ik de gozer die mij sloeg op de grond liggen. Het is mijn broer Henk die hem te grazen neemt. Nu heeft die gozer ook een bloedneus. Er komt ook voor hem hulp die Henk weer wil pakken. Maar dan zie ik Cor die hem door de hele straat heen schopt. Uiteindelijk komt er een kale vent naar buiten gestormd. Wij moeten alle drie een hele week nablijven. De anderen niet. Als we die middag in het lokaal zitten zegt de juf na een tijdje dat ik naar huis mag. Ik kijk naar mijn broers die nog niet weg mogen. “Zeg het tegen ma,” roept Henk.

Ik knik ja en ren naar beneden zo snel als ik kan, voordat er iemand het idee krijgt om mij terug te roepen. Onderweg kom ik ma al tegen. Ik vertel haar wat er allemaal is gebeurd. Ze zegt dat ik snel naar huis moet en daar moet blijven wachten. Na een uur komen ze allemaal binnen. Henk komt naar me toe en zegt: “Je had erbij moeten zijn, ma ging tekeer tegen die ouwe meester. Hij scheet zeven kleuren stront.”

“Ja, monden dicht. Aan tafel en eten. De kinderbijslag is binnen.”

Een week later word ik in de pauze op mijn schouders getikt. Dan zie ik ineens alles dubbel. Ik proef ijzer, mijn mond voelt vreemd aan en mijn lip begint te zwellen. Nu zie ik de dader. Met een grote glimlach zegt hij: “Kom, doe dan wat.”

Voor hij nog wat kan zeggen heb ik hem in een armklem. Nu hoor ik hem gorgelende geluiden maken. “Alsjeblieft Koos, laat hem los, hij stikt,” zegt iemand.

Ik geef hem wat meer adem en vraag: “Heb je zo genoeg gehad?”

Dan laat ik hem helemaal los en snikkend loopt hij weg. Er gaan een paar dagen voorbij en ik hoor twee knullen met elkaar smoezen over mij. In de pauze word ik weer op mijn schouders getikt en weer zie ik alles dubbel. Dit keer voel ik het bloed over mijn lippen stromen. Ook de smoezer komt in mijn armklem. Hij loopt flink rood aan. Pas als hij smeekt om genade laat ik hem los. Toch valt hij me opnieuw aan. Nu komt de meester tussenbeide. Ik moet nablijven maar hij niet. Want ik ben asociaal; ik loop immers met karton in mijn schoenen en draag versleten kleren. Thuis krijg ik er ook van langs, omdat er bloed op mijn kleren zit. Daarna vraagt mijn moeder pas wat er is gebeurd.

Nog geen twee dagen later zitten er drie te smoezen en weer valt mijn naam. Ik sta op en loop ernaartoe en begint te knokken. Want ik heb mezelf beloofd dat ik me nooit meer een tand door de lip laat slaan. Ineens hang ik in de lucht in de handen van de onderdirecteur. Dit keer mag ik een week nablijven. Mijn moeder komt me ophalen. “Hier jij,” roept ze en gebaart met haar handen, haar ogen spuwen vuur. Twee weken niet buiten spelen is het gevolg. Ik voel me zo machteloos, maar één ding weet ik wel: ik heb geen tand door mijn lip.

Als ik maar vermoed dat iemand het op mijn voorzien heeft, ga ik ertegenaan. Al snel ben ik berucht in de buurt met mijn armklem. Liever heb ik helemaal geen ruzie, maar het is zelf beginnen of een tand door mijn lip.

Eerst is het nog makkelijk op school. Letters overtrekken doe ik zo goed, dat ze het niet eens kan zien; mijn letters vallen samen met het voorbeeld. Ik moet het overdoen. Mijn oplossing is expres een beetje bibberen, ook al klopt het niet. Ik krijg een mooi cijfer met een plakplaatje.

Maar bij de lange ij en korte ei raak ik de weg kwijt. Lezen en schrijven is voor mij abracadabra. Wat de juf ook zegt, ik snap niet wat ze bedoelt. Het lijkt wel of mijn hoofd gevuld is met watten. Als ze een kleine schrijfoefening geeft die ik meteen moet maken, schrijf ik op gevoel. Ik ken de letters wel, maar weet niet welke letter ik voor welk woord moet gebruiken. Ik schrijf maar wat ik hoor. Ik gok of het een ei of een ij moet zijn, een v of een f. Iedereen in de klas begrijpt het, behalve ik. Mijn vader kan volgens mijn moeder ook niet schrijven. Ik maak precies dezelfde fouten als hij. Het enige wat ik leer is wat schaamte is. Je kunt beter hard op je handen en je knieën vallen met grote schaafwonden, dan dit.

Als ik om uitleg vraag, zie ik vaak alleen de mond van de juffrouw bewegen, maar er komt geen geluid uit. Het enige wat ik kan doen is het opnieuw vragen. Weer zie ik haar mond bewegen en weer komt er geen geluid uit. Alles wat ik hoor moet ik uitgebreid verwerken in mijn hoofd. Na één zin, soms al één woord, gaan mijn gedachten zwerven. Er komen allemaal beelden en tegen de tijd dat ik het woord verwerkt heb, is de juf al een heel stuk verder.

Als ik iets echt wil snappen, probeer ik het zo te brengen dat het niet te veel opvalt hoe dom ik ben. Zodat ze er echt over na moeten denken wat ik zeg. De bedoeling is dat ze gaan doorvragen.

In de klas krijgen we de tafels met rekenen. 1×1=1. Vreemd hoor. Ik zet mijn tactiek in en ik zeg: “Dit is stom. Daar heb je niets aan. Een stoel en nog een stoel is twee stoelen. Niet één.”

Juffrouw Sleutelring laat me nablijven en zegt: “Jij gaat hier niet weg voor ik het heb kunnen uitleggen.”

Ze pakt een appel: “Hoeveel appels zijn dit?”

Niet kwijlen, denk ik, daar heb je verdomme weer een appel. “Eén appel,” antwoord ik.

“Dan heb ik één keer één appel.”

Het komt niet over. Ik ben opgelucht als ze de appel weglegt en het verder uitlegt met potloden. Ik snap het nog niet, maar ik vind het wel heel fijn dat ze het blijft proberen en me niet in de steek laat, zoals al die anderen. Ze zegt: “Je gaat niet eerder weg voordat je het kan.” En ze probeert het net zo lang tot ik het begrijp. Op dat moment is ineens alles duidelijk en ik vul met gemak achter elkaar de tafels in.

De juf zit altijd achter haar bureau. Als we vragen hebben mogen we naar haar toe komen. Dat doe ik vaak. Te vaak, want ze laat me steeds langer wachten. Telkens als ik naar voren moet om uitleg voel ik iets van binnen langzaam kapot scheuren. Soms helpt ze nog, maar steeds vaker wacht ze tot ik vanzelf wegga.

Als ze een goede bui heeft en het me uitlegt, snap ik het nog steeds niet. Ze legt het steeds op precies dezelfde manier uit. Iedere keer hoop ik dat ze het anders uitlegt, maar dat durf ik niet te vragen.

Op een dag wijst ze ieder kind aan in de klas, terwijl ik naast haar sta te wachten. Ze zegt: “Zie je die kinderen? Zij hebben ook recht op aandacht!” Ze kijkt boos, haar stem klinkt hard en verwijtend. De kinderen schrijven verder. Ik voel mijn wangen rood worden. Ik wil hier helemaal niet zijn. “Weet je wat,” vervolgt ze, “ga jij maar helemaal achterin zitten, daar bij het fonteintje.” Bij het teruglopen naar mijn lessenaar hoor ik haar in zichzelf fluisteren “Daar heb je er weer zo eentje.”

Met elke stap naar de hoek voel ik me kleiner worden. De kinderen moeten het hebben gehoord. Ik pak mijn spullen en loop met gebogen hoofd naar de uiterste hoek van het lokaal. Naast de wastafel staat een lessenaar. Ik voel de ogen van de klas in mij rug branden. Hoe vol de klas ook is, ik zit hier helemaal alleen in een donkere hoek waar niemand wil zitten. Toch voel ik me er snel thuis; ik ben er veilig, net als in bed.

Ma heeft mijn rapport voorgelezen: ik moet me beter concentreren en voor de rest gaat het goed. Henk vraagt of ik met mijn rapport al de familie langs ben geweest. Wel bij opa en oma en tante Cor. Van mijn vaders kant wil de rest niets te maken hebben met ons. Zij vinden ons ook al armoedzaaiers.

“Ben je nog niet bij ma’s familie geweest?”

“Nee ik ken daar de weg nog niet.”

“Heb je zin om met mij mee te gaan?”

We worden warm onthaald. Ik laat mijn rapport zien. Ik krijg een kwartje en de goede raad dat ik me beter moet concentreren. Zo gaan we wel tien tantes langs. We halen samen bijna vijf gulden op. Ik haal voor twee kwartjes snoep, de rest wil ik bewaren om mijn schoolmelk ermee te betalen.

Als het schooljaar voorbij is, krijgt iedereen een eindrapport. Alle kinderen gaan over. Behalve ik. Mijn broer haalt flink wat geld op. Thuis durf ik mijn rapport niet te laten zien. De juf heeft erbij geschreven: “Hij kan het wel, maar hij wil niet.”

Als ma uiteindelijk mijn rapport ziet, wijst ze machteloos naar mijn twee jongere zusjes. De ene nog een baby, de andere in de lastige leeftijd waarop zij haar voortdurend in de gaten moet houden: “Ik heb geen tijd om je te helpen met school.”

Ik ben dus niet belangrijk. De pijn die ik in mijn lichaam voel is zo intens, dat ik er misselijk van word. Uit alle macht slik ik het weg, bal mijn vuisten en bijt op mijn tong. Mij zal je niet zien janken.

Ik haal mijn schouders op en kijk zo onverschillig mogelijk. Nu laat zij me ook barsten. Ik draai me om en loop naar buiten. Op de speelplaats is gelukkig niemand. Na een tijd alleen op de speelplaats besluit ik om nooit meer iets te vragen. Ik ga mijn eigen weg wel in dit leven.

Henk weet me over te halen om toch weer langs de familie te gaan. Nu krijg ik hier een daar een dubbeltje, omdat ik ben blijven zitten. Henk doet het goed. Hij probeer me op te vrolijken dat het wel weer goed komt. Ik doe net alsof het hem lukt.

Onverwacht vraagt mijn oma: “Lukt het je niet, heb je een hekel aan school? Of kan je je niet concentreren?”

“Ja, daar heb ik wel moeite mee.”

“Weet je ook waarom?” vraagt ze.

“Nee.”

“Heb je gevraagd of de juf je wil helpen?”

“Ja, maar er zijn ook nog andere kinderen. De juf had geen tijd meer voor me en toen ben ik achterin de klas gezet.”

Even wrijft ze over haar reumahanden. Ik zie dat ze een oplossing voor me zoekt. Het blijft stil. Dan zegt ze: “Probeer er toch maar het beste van te maken.”

Ze kijkt om zich heen. Zoekt iets anders om over te praten. “Je neef, die haalt heel goede cijfers.”

Ja. Hij wel.

Ze draait zich om en ik ga maar bij opa zitten.

Er is één ding goed aan blijven zitten: ik heb geen last meer van die jongen met die appel. Er zit nu een meisje voor me. Ze is best aardig.

Deel deze pagina

6 gedachtes over “Het lukt niet op school”

  1. Dat gevoel ken ik wel! Ik had er ook allemaal zo’n moeite mee. Gelukkig was er wel tijd voor mij. Ik vind het erg dat het zo moest gaan voor u.
    Groetjes

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.