Het internaat en voetbal

Ik kom thuis uit school als er een vreemde mevrouw aan tafel zit. Ze vraagt hoe het met me gaat en vertelt dat ze me komt helpen. Ze heeft het over een internaat voor jongens, die daar alles kunnen leren wat ze maar willen.

“Je kan er worden wat je wilt, van timmerman tot boekhouder.”

“Sportman, kan dat ook?” vraag ik. Mijn broers voetballen bij Wilton Fijenoord, maar voor mij was er geen plaats meer.

“Ja, wat je maar wil.”

Dan wil ik er wel naartoe. Stilletjes denk ik: dan komt het toch nog goed met mijn toekomst.

Op de afgesproken dag brengt ma mij naar het station. Als we daar aankomen, zegt ze: “Je kan niet meer terug, nu moet je het een jaar volhouden.”

Een jaar. Ineens voel ik me niet lekker. Ma praat tegen me, maar ik versta niets van wat ze zegt. Alleen op het eind: “Ik vind het rot voor je, maar dit is het beste voor jou. Ik zal je missen.” Dan begint ze met haar hoofd te knikken. Later ontdek ik dat ze mijn moeder gedreigd hadden: als ze niet mee zou werken, zouden ze me opsluiten. Ik was niet meer te handhaven, vonden ze.

Er stopt een bus.

“Nou,” zegt ma, “geef me een kus, iedereen staat op je te wachten.”

Ik geef haar een kus en stap de bus in. Er stapt nog een andere jongen in die ik ken uit de buurt. Hij heeft het moeilijk: de tranen lopen over zijn wangen. Ik zie ma nog zwaaien en dan loopt ze met gebogen hoofd weg. Mijn maag doet pijn en de tranen springen in mijn ogen. Ik zou het wel uit willen schreeuwen dat ik van haar houd. Maar dan ben je zwak: een man huilt niet, die slikt alles in. Ik ga een goede toekomst tegemoet, houd ik mij voor: ik word sportman.

Voorin de bus zit een heel grote vent. Maar het is nog maar een jongen, zie ik aan zijn gezicht. Hij is druk in gesprek met een ander. Voor de rest zie ik alleen maar kleine jongens, nog jonger dan ik, terwijl ik dan ook nog maar negen jaar oud ben. Die grote knullen praten steeds harder. Dan springt de groepsleider op en roept: “Stop! Anders gaat het weer helemaal fout. Er wordt niet over voetbal gesproken.”

Er komt een klein mannetje naast me zitten. Hij is zenuwachtig en kijkt alsof er iets ergs gaat gebeuren. “Mag ik naast je zitten?”

“Als je maar normaal doet vind ik het niet erg.”

De grote jongens lopen dreigend op en neer door de bus. Ze buigen zich af en toe voorover. Als ze ook naar ons kijken, bluf ik: ” Opsodemieteren!” Het knulletje kruipt bijkans bij me op schoot. “Weg, want anders bijt ik je strot eraf!”

Dat had hij niet verwacht en we worden niet meer lastiggevallen.

We zijn al een tijd onderweg als het jongetje zegt: “Gelukkig zijn we er bijna en er is niets gebeurd. Als die twee grote jongens het over voetbal hebben, krijgen ze ruzie en gaan ze op de vuist met elkaar. Dan moet de groepsleider erbij komen, maar dan gaan ze samen tegen de groepsleider vechten. Iedereen die in hun buurt zit, krijgt klappen en de begeleider kan ze ook niet aan.”

Die groepsleider heeft anders een paar flinke armen: daar wil je toch echt geen klappen van krijgen.

Buiten moeten we in de rij gaan staan. We zitten middenin een bos in Oosterwolde, vlakbij de Duitse grens. Het ruikt heerlijk naar dennenbomen. Er is er altijd wel één die niet wil luisteren, die wordt keihard aangepakt. Daar schrik ik van – zo streng had ik het niet verwacht. We worden een slaapzaal ingeloodst en moeten ons opstellen voor een kast. Er staan twaalf bedden met steeds een kledingkast ertussen. Als alles in de kast ligt, mogen we naar de groepskamer, wat voor onszelf doen. “Maar wel rustig!”

Morgen krijgen we een echte rondleiding. Ik kijk verlangend door de ramen naar buiten. Die middag op de groepskamer roept een knul zomaar wat naar me. Hij heeft een bril op met echte jampotglazen, zo dik. Ik versta er geen woord van. Hij begint te dreigen. Ik haal mijn schouders op en laat hem gaan. Dan vliegt hij me aan. Ik sla automatisch terug en ram er goed op los.

We worden bijna meteen gegrepen door de groepsleider. Met een harde klap slaat hij onze hoofden tegen elkaar en ik moet naar de slaapzaal. Verbaasd zie ik dat de dikke brillenglazen van mijn aanvaller kapot zijn. Waar ben ik terecht gekomen? Dit is niet een plek om sportman te worden, ik ben belogen. Ze hebben me erin geluisd. Ik stommel naar de slaapzaal.

Na een tijd gaat de deur open en zie ik een ventje met een noodgang naar binnen vliegen. De groepsleider ranselt hem af: met volle vuisten slaat hij hem. Steeds zakt hij in elkaar. Straks slaat die man hem nog dood. Maar dan stopt hij en gaat weg. Het ventje zakt in elkaar, er komt geen geluid meer uit. Zou hij dood zijn? Wat moet ik doen? Zachtjes zeg ik: “Gaat het met je?”

Het blijft doodstil. Na een tijdje kruipt het ventje een bed in. We zitten uren in de slaapzaal zonder eten.

Eindelijk gaat de deur weer open. Het is de jongen die naast me in de bus heeft gezeten: “Je moet op het kantoor van meneer van der Poel komen en nu meteen!”

Nu ga ik eraan. In gedachten neem ik afscheid van ma, broers en zusjes. Onderweg vertelt hij wat er aan de hand is: “Dat mannetje dat zo op zijn donder kreeg, heeft de vechtpartij veroorzaakt. Hij zat onder de tafel te schoppen en die ander dacht dat jij dat deed. Hij was daar zo trots op, dat hij er bij mij over op kwam scheppen. Dus ben ik naar meneer van der Poel gegaan en heb hem verteld wat er echt is gebeurd. Ik heb hem ook verteld dat je me in de bus hebt beschermd. Je hoeft niet bang te zijn, hij doet je niets meer.”

Meneer van der Poel was kennelijk onder de indruk van zijn verhaal, want als ik dat bevestig en vertel wat er in de groepskamer gebeurd is, gelooft hij me. Het klopt met het verhaal van de jongen uit de bus. Hij zegt: “Ik ben nog nooit in mijn loopbaan zo’n jongen als jij tegengekomen. Daarom ben ik dit werk eigenlijk gaan doen, voor jongens zoals jij.”

Zo goed heb ik er nog nooit op gestaan, maar ik denk: zo eerlijk ben ik nou ook weer niet.

“Vanaf nu krijg jij mijn volle vertrouwen, misbruik het niet. Dat mannetje dat dit veroorzaakt heeft, gaat naar een nog strenger internaat.”

Strenger dan dit kan niet, denk ik. Maar als we een paar dagen verder zijn, ben ik al aardig gewend. Als ik word uitgedaagd, loop ik weg. Niet omdat ik bang ben, maar ik wil niets verliezen bij deze man. Kennelijk ben ik hier een grote uitzondering. Daarmee is ook duidelijk wat voor een tuig hier verder komt.

Deel deze pagina

9 gedachtes over “Het internaat en voetbal”

  1. Lieve broer.
    Het doet me veel jouw verhaal te lezen. Fijn dat je het met ons deelt.
    Dikke kus en ik hou van je

    Cisca

  2. Koos ik lees je verhalen met plezier en vol verbazing! Het leest superlekker weg! En ik blijf lezen!

    Doe de groeten aan Edith!

    Pascal

  3. Hallo Koos,

    Ik ben met Pa nog langs geweest bij het internaat in Hilversum. Een man vertelde me dat jij heel goed kon rolschaatsen en ik was toen heel trots op je.
    Ik miste je thuis heel erg en onze vader had dat door en daarom zijn we naar het internaat gegaan. Voor mij was dat een heel bijzonder moment omdat Pa Vervoort me nog nooit had mee genomen naar waar dan ook. Goed geschreven er kwam weer van alles en nog wat naar boven.
    En ik ben nog steeds erg trots op je dat je dit allemaal bereikt heb.

    1. Naar die reden heb ik ook lang gezocht, maar in het boek is het verhaal iets completer. Koos kon best een vechtersbaas zijn en had verkeerde vrienden. Bovendien zette de politie de jongens onder druk om te bekennen, alleen dan mochten ze weer naar huis. Zo bouw je ongemerkt een ‘strafblad’ op…

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.