Geheim

Er verdwijnt van alles in ons huis. Gisteren was ik nog een nieuwe sok kwijt. Ik denk dat het de spoken zijn. Daarom vraag ik zomaar: “Wie heeft mijn sok heeft geleend? Mag ik hem terug?”

Op dat moment zie ik mijn sok liggen. Verbaasd vertel ik het tegen ma.

“Fantast,” zegt ze en loopt lachend de keuken in.

Dat lachje herken ik. Ik weet dat ze bang is dat ik gelijk heb, dat het hier echt spookt! Ik wil het zeker weten en vraag: “Mag ik ook de ring van ma terug?”

Een uur later vind ik de ring van ma op precies dezelfde plek als waar ik mijn sok vond. Nu lach ik en roep naar ma: “Ik heb uw ring teruggekregen!”

Ze wil het niet geloven en loopt weg. Ik moet erom lachen en tegelijk voelt het vreemd.

Als mijn vader thuiskomt, vertel ik hem wat er is gebeurd. Het antwoord is precies hetzelfde: ik heb te veel fantasie. “Help me maar met de schuur opruimen, daar heb ik veel meer aan. Als je het goed doet, krijg je een gulden.” Een gulden!

Als ik in de schuur kom, zie ik hoeveel rommel er ligt. Mijn vader legt uit wat ik moet doen en helpt zelf ook mee. Maar na een uurtje laat hij me alleen.

Er staat een grote houten kist. Hij staat in de weg en ik wil hem opzij slepen. Hij is loodzwaar, maar het lukt me toch. Wat zou erin zitten? Er hangt een groot slot aan. Opeens voel ik een wind langs mijn gezicht. Het komt achter een kast vandaan. Als ik ga kijken zie ik een kleine deur. Ik wist niet dat die daar zat. Voorzichtig duw ik ertegen en steek mijn hoofd erdoorheen. Ik zie een tuin, vol met de mooiste bloemen. Met open mond loop ik de tuin in, langs de brandnetels. Er komt een heerlijke geur van een rozenstruik. Dan zie ik een jongen achterin de tuin.

“Hoe heet jij? Wat kom je hier doen?” vraagt hij.

“Ik ben Koos. Ik vond een deur achter de kast en ik wilde weten waar die uitkwam. Ik ga wel weer hoor. Ik moet de schuur van mijn vader opruimen.”

“Mag ik helpen?”

Hij loopt mee terug door het deurtje de schuur in. Al gauw zijn we druk bezig met het opruimen. Hij ziet de kist met het grote hangslot: “Wat zou erin zitten? Zal ik even kijken of ik hem open kan maken?”

Hij pakt een draadje en begint ermee in het slot te friemelen. Het slot springt open. Als we het deksel openen, zie we allemaal oude landkaarten waarop getekend is. Hij zegt dat het kaarten zijn die naar geheime plaatsen leiden. Dit moeten we uitzoeken! Maar eerst alles opruimen.

“Doe hem maar gauw weer op slot, anders komen we nog in de problemen,” zeg ik.

Gauw gaan we verder en voor we het weten is de hele schuur aan kant. De jongen vraagt of ik de deur die naar de tuin leidt geheim wil houden. Ik ben gek op geheimen! We spreken af voor de volgende dag en hij vertrekt.

Ik haal mijn vader hij kijkt zijn ogen uit: “Hoe heb je hem dat geflikt?”

Hij kijkt me vertwijfeld aan en pakt zijn portemonnee. Ik krijg een rijksdaalder. “Omdat je het zo goed heb gedaan.”

Trots als een aap ga ik naar binnen. Onder het eten vertel ik ma dat ik een rijksdaalder heb gekregen voor het opruimen van de schuur. Zoals beloofd zeg ik niets over mijn nieuwe vriend en de geheime deur. Ik vraag aan mijn vader wat hij met de kist van plan is. “Die moet ik weggooien. Ik heb er niets aan dan ruimteverlies. De vorige bewoners hebben hem achtergelaten. Ik weet niet eens wat erin zit.”

“Mag ik hem dan hebben om wat spullen in te doen?”

“Best. Maar hou het wel netjes, anders is het zo afgelopen.”

Ik droom veel, soms zelfs overdag. Met mijn nieuwe vriend kan ik daarover praten. Maar ik weet: “Dromen zijn fantasie. Je kan toch niet dromen wat je maar wil.”

“Heb je dat al geprobeerd dan?” vraagt hij.

“Ja,” geef ik toe. “Maar het lukte me niet.”

“Niet alles gaat gelijk goed,” zegt hij rustig. “Ik denk dat je het gewoon moet je oefenen en volhouden. Probeer het maar.”

Ik kan niet eens mijn dromen onthouden, maar ik ga het toch proberen. Na twee weken lukt het nog steeds niet, ik stop er maar mee en val in slaap. Ik weet dat ik in mijn bed lig, maar ik kan mijn handen niet optillen. Even raak ik in paniek. Dan probeer ik mijn vingers te bewegen, maar verder kom ik niet. Als ik nu met mijn vingers ga fladderen, wat gebeurt er dan? Ik ga langzaam omhoog! Ik zie het plafond steeds dichterbij komen. Mijn hele lichaam tintelt. Het is nog lekkerder dan op de schommel.

Als ik mijn vriend weer zie, vertel ik hem alles. Het gaat steeds beter. Nu vlieg ik door de lucht als Superman uit de stripboeken. Maar tussen de vliegdromen heb ik ook nachtmerries en word ik badend in het zweet wakker. Die dromen kan ik nog niet beïnvloeden.

Buiten mijn vriend heb ik niemand. Ook mijn broers willen meestal niet met me spelen; Cor is vijf jaar ouder en Henk bijna twee jaar. Ze vinden mij de laatste tijd te klein voor alles en ik mag haast nooit meedoen. Eerst vond ik het niet erg, maar nu ik ouder word krijg ik er steeds meer last van. Volwassenen en kinderen vinden me vreemd. Als ik het vraag krijg ik geen antwoord, het maakt me onzeker. Ik weet niet waar ik thuis hoor en dat gevoel groeit met de dag. Vaak lig ik ‘s nachts benauwd wakker.

Is dit alles? Mijn leven is zo saai en leeg. Ik voel me als een vogeltje in een kooi. Mijn gedachtes worden steeds zwaarder. Behoedzaam schuif ik de dekens van mij af. Om niemand wakker te maken houd ik zelfs mijn adem in, maar het kraken van de vloer is onvermijdelijk. Ik trek stilletjes mijn kleren aan. Door het dakraam zie ik de dakpannen van de buren en de sterrenhemel. Via de trapleuning en de muur klauter ik naar het dakraam. Niet naar beneden kijken.

Dan sta ik op het dak, de wind streelt mijn gezicht. Het is alsof iemand me aait. Ondertussen zoek ik een plek waar ik me veilig voel en niemand mij kan zien: achter de schoorsteen van de buren. Nu voel ik mijn angst van me af vallen, ik ben vrij. De angst maakt plaats voor tintelingen, het maakt me aan het lachen. Het wordt steeds heviger en raast door mijn lijf, ik klim over het dak van de buren. De dakpannen maken een klikkend geluid, dat door mijn lichaam trekt bij iedere stap die ik neem. Als ik eenmaal zit kom ik tot rust en krijg slaap. Na enige tijd sluip ik weer terug naar mijn bed in en val eindelijk in slaap.

Dit uitstapje maak ik vaker. Op een nacht zit ik weer lekker achter de schoorsteen. Plotseling voel ik wat in mijn nek en ik vlieg over het dak heen. In een flits zie ik de diepte van de straat. Mijn adem stokt. Een alcohollucht komt me tegemoet, het is mijn vader. Hij had mijn witte wapperende overhemdje gezien achter de schoorsteen. Wat gebeurt er allemaal? In de hal kom ik pas weer bij. Mijn vader is niet eens boos, maar doodsbang dat ik nog een keer het dak op ga. Is hij bezorgd om mij of omdat hij dan geouwehoer met mijn moeder krijgt?

Ik mag me niet meer op zolder uitkleden. Bij gebrek aan pyjama slapen we in onze onderbroek en in je onderbroek het dak op is veel te koud. Als ik later naar beneden sluip om naar buiten te gaan, ontdek ik dat ma mijn kleren heeft verstopt. Dat is het einde van mijn geheime nachtelijke avonturen.

Het levert wel een voordeel op: als mijn vader alleen thuis is moet ik beneden blijven. Nu kan ik beneden lekker film kijken op de tv die we van opa en oma hebben gekregen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.