Einde

Mijn vader ligt in het zieken huis met een blaasontsteking en kan niet naar mijn moeders begrafenis komen. Ik hoor hoe moeilijk hij het daarmee heeft, hij weigert zelfs te eten als ik bij hem op ziekenbezoek kom.

Hij praat over mijn moeder, maar gooit alles door elkaar.

‘Je doet aan geschiedvervalsing!’ zeg ik, maar ontkent dat in alle toonaarden. Ik laat hem maar in zijn waan. Na een paar weken mag hij weer naar huis, verzorgingstehuis Schiewagen, waar hij woont omdat hij en zijn vriendin Nel Alzheimer hebben. Ze wilden graag bij elkaar blijven wonen en volgens mijn zussen was dat de enige plek waar zij met zijn tweetjes op een kamer konden. Vooral Nel is behoorlijk in de war en kan niet meer alleen naar buiten. Mijn zussen hebben gevraagd of ik ook af en toe boodschappen voor hem wil halen. Hij drinkt graag een alcoholvrij biertje en spa blauw. Verder haal ik voor hem een lekkerbekje en of kibbeling. Hij is veel eisend; om de haverklap hangt hij aan de telefoon. Ik denk dat het niet alleen om een boodschap is, maar ook omdat hij met Nel geen goed gesprek meer kan voeren. Dan komen mijn zussen met groot nieuws. Na 40 jaar bij elkaar te zijn gaan ze ineens trouwen. Ik lig echt in een deuk als ik het hoor, even denk ik aan mijn moeder en denk dat ze er ook hard om had gelachen. Ze gaan trouwen op het stadskantoor van Schiedam en dan gaan wij met zijn alle wokken. Het is een mooie dag en het voelt toch best wel vreemd aan. Ze komen zelfs nog in de krant te staan. We maken er een gezellige boel van.

Ondertussen blijft mijn vader zijn grenzen verleggen en vraagt steeds meer van me. Hij is teleurgesteld als ik door mijn reuma niet voor hem kan sjouwen. Soms ga ik een uurtje met hem biljarten. Het eerste wat hij dan doet is naar een gokkast lopen en raakt er zijn geld kwijt. Gelukkig heb ik hem en Nel nog, denk ik soms. Ik moet er niet aan denken om hem ook nog kwijt te raken. Om Nel maak ik me wel zorgen. Zij is steeds meer in de war, praat vaak over haar ouders en huilt ook regelmatig als ik binnenstap. Ze zegt vaak: “Waar blijf je nou, hoe heb je me gevonden, kan ik zo met jou mee naar huis?”

“Nel, je bent al thuis.”

Meestal lacht mijn vader er om, maar soms is het hem ook te veel en reageert hij fel. Ze barst dan opnieuw in huilen uit. Ik vind het wel steeds moeilijker worden en weet ook niet goed hoe ik ermee om moet gaan. Een ding heb ik geleerd: je kan er maar beter niet tegenin gaan. Als ik zeg dat haar vader en moeder er niet meer zijn, of dat er nog maar twee van haar zeven broers en zussen in leven zijn, zie ik haar in paniek raken en het verdriet op haar gezicht verschijnen. Dus praat ik maar gewoon met haar mee. Soms is ze helder  en roept dan meteen als ik binnenkom: “Hé schooier, waarom blijf jij zo lang weg?“

“Nel, ik ben gisteren nog geweest. Toen heb ik nog een fles limonade voor je meegenomen.”

Mijn vader roept er dan gelijk achteraan: “Dat weet ze niet meer.”

Als we geld met hem pinnen, klaagt hij dat Nel steeds meer achteruit gaat en dat hij spijt heeft dat hij daar met haar is gaan wonen. Als ik hem echter vertel hoe veel voordelen het heeft dan bindt hij weer in. Zo gaan de jaren langzaam voorbij.

Op een dag kom ik bij hem en zegt hij dat hij weer eens last heeft van nachtmerries. Ik zeg hem: “Als het om ons gaat,  hoef je dat niet te hebben. Wij hebben het je allang vergeven.”

Ik zie een lichte verandering in zijn gezicht, ondanks dat hij het probeert te verbergen.

Op een avond word ik laat gebeld, dat hij met spoed naar het ziekenhuis is gebracht. Zijn alvleesklier is zwaar ontstoken. Ik rij met mijn zus mee naar Delft. Mijn oudste broer is er ook en mijn andere zus Lenie. Mijn vader begint gelijk over zijn wilde rit naar het ziekenhuis te praten. Dat stelt me wel gerust, maar toch vind ik dat hij er grauw uitziet. Na een week belt mijn zus, net voor ik naar bed wil gaan. “Hij is overleden.”

Ik ben boos, omdat ik er zo verdrietig van ben. Dat had in nog niet eens toen ik mijn moeder verloor. Het gekke is dat ik ben gaan geloven dat hij niet zo makkelijk dood kon gaan. Ik meld me ziek op mijn werk en heb nergens zin in. Ik kan niet meer slapen en als ik dan toch in slaap val, word ik met tranende ogen wakker. Ik moet veel aan vroeger denken en wat een groot ego hij had.

Weer rijd ik met mijn zus mee naar Delft. Ook mijn oudste broer vertelt hoe boos hij op zichzelf is. Ik zeg dat het voor mij het zelfde is. Het voel als verraad aan mijn moeder, die zo goed voor ons gezorgd heeft tot haar laatste adem.

‘Mijn God wat moet ik doen? Ik weet het even niet meer.’ Zo blijf ik de eerste paar dagen bidden.

Nel wil er niets over horen. Als je een paar minuten bij haar zit vraagt ze: “Waar is je vader?”

“Die is er niet meer, Nel” Ik vraag me af of ze het wel door heeft.

“Tuurlijk wel”, zegt ze dan. “die zal wel weer in de kroeg zitten.”

Voor het eerst denk ik: was dat nu maar even waar.

Met alle broers en zussen komen we bij elkaar om de begrafenis te regelen. Met mijn moeder ging het zo gemoedelijk, maar nu gaat alles veel moeilijker. Waarom dat is, weet ik niet. In gesprek met Edith kom ik er langzaam achter dat mijn moeder erg ziek was en er zelf geen zin meer in had. Ik realiseer me ook dat er zoveel onuitgesproken is tussen mijn vader en mij. Gelukkig heb ik de laatste maanden wel goed contact met hem gehad.

Hij heeft me geholpen toen mijn fiets kapot was en ik geen geld had om hem te laten maken. Ik kreeg bijna nog ruzie met hem, omdat ik het eerst niet wilde. Ik heb ook met hem gelachen. Misschien is het wel daarom dat ik er nu zo moeite mee heb. Ik blijf boos op hem, maar vooral op mijzelf. Telkens als de telefoon gaat denk ik dat hij belt, om weer te moeten beseffen dat hij er niet meer is.

Iedereen ging er vanuit dat Nel als eerste zou gaan, omdat zij zo hard achteruit ging. Daar hebben wij ons in vergist. Als ik op viste kom, zit ze tegenwoordig in de huiskamer, ook dat is vreemd. Nel wilde meestal gelijk terug naar haar kamer als ik kwam. Ik ga vaak samen met mijn zus Cisca, omdat ik het moeilijk vind om steeds te moeten zeggen dat mijn vader er niet meer is. Ze heeft het er erg moeilijk mee, steeds opnieuw. Ik besluit uiteindelijk om het niet meer te zeggen en praat haar met haar mee. Als ik weer eens lekker naast Nel zit, begint ze over vroeger te praten: “Ik weet nog goed hoe moeilijk ik het had. Ik had niemand om mee te praten en voelde me soms zo eenzaam. Hoe weet ik niet, maar jij kwam dan altijd binnen wandelen. En dan vertelde ik waar ik tegenaan liep. Jij was toen nog een klein ventje van negen. Je zei dan ‘Ik moet er even over nadenken.’ Naar een paar minuten begon je dan te praten. Ik was altijd verbaasd wat er dan uit jouw mond kwam. Meestal had je nog gelijk ook. Zo heb jij zonder dat je het weet mij zo goed geholpen. Dat vergeet ik nooit meer.”

Ik ben echt even onder de indruk van haar geheugen en hoe goed ze ineens bij is. Als of ze nergens last meer van heeft. Zelfs Cisca is ervan onder de indruk. Na die dag gaat ze ineens heel snel achteruit. Op zondagavond belt Cisca om te vertellen dat ze is overleden. Nu heb ik alles weggebracht en is er niets meer om naartoe te gaan. Toch heb ik met Nels overlijden wel vrede omdat ze zo in de war was. Ik denk vaak aan vroeger en hoe alles zijn verloop heeft gekregen. Ondanks alle shit zou ik het nooit willen missen.

[Dit is voorlopig het laatste verhaal van Koos. We gaan nu samen kijken hoe we tweeënhalf jaar blogverhalen tot een boek kunnen smeden. Geïnteresseerde uitgevers zijn welkom om contact op te nemen met koos@clineschrijft.nl]

Een gedachte over “Einde”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.