De Duitser

De waterkant is de ontmoetingsplek van alle jongens uit de buurt. Onder het vissen komt alles aan bod, vooral wat we gaan uithalen. Richard begint over een Duitser. Die man zou met een grote bijl hebben gezwaaid toen hij naar de hut wilde gaan. We maken geintjes en schelden hem uit voor angsthaas.

“Ik heb moeten lopen voor mijn leven, lachen jullie maar, jullie komen er wel achter!”

Hoog tijd om op onderzoek uit te gaan. Als we het terrein oplopen, komt er een reus van een vent aangestormd, recht op mij af. Een kapmes in zijn rechterhand, een woeste blik in zijn ogen en een gemene kale kop. Hij schreeuwt en vloekt. Er is geen ontsnappen aan, want ik sta in een hoek met mijn rug tegen de muur. Het is een groot mes, het glimt en hangt boven mijn neus. Mijn god, het is een moordenaar!

Ik schijt haast in mijn broek. Maar in een flits besef ik dat ik klein ben. Door een paar schijnbewegingen schiet ik razendsnel tussen zijn benen door. Ik ren voor mijn leven naar de hut.

Dan komen er drie kerels uit de fabriek recht op ons af. Iemand wordt gepakt, ik zie niet wie. Wonder boven wonder kom ik erlangs en bereik buiten adem de hut. Ik begin direct te ijsberen. Hoe kom ik hier weg, ik wil straks toch weer terug naar huis! Door de stress kan ik niet goed nadenken. Ik hoor gerommel: iemand heeft me gevonden. In paniek zoek ik naar een oplossing. Hij komt de hut in. Ik moet wat doen, anders ben ik er geweest. Daar ligt een hamer, ik pak hem op om een flinke klap uit te delen. Net als ik wil slaan zie ik dat het mijn broer Henk is.

“Mijn god, jij bent het!” roep ik.

“Ja,” zegt Henk met een grote glimlach op zijn gezicht. “Ik ben iets te snel voor ze. Nu is het afwachten tot de anderen komen.”

Hij is nog niet uitgesproken of er komen er nog twee de hut ingeklommen. Als iedereen er is, zien we dat drie er slecht aan toe zijn. Als verzopen katten zien ze eruit. Die kerels van de fabriek beweren dat het verboden terrein is en als ze ons te pakken krijgen volgt er een koude douche. Een paar beginnen keihard te lachen en dan doet iedereen mee. De ontlading van alle spanningen komt eruit.

“Hoe komen we terug? Die lui van de fabriek zijn het ergste niet. Maar die Duitser is knettergek!”

Naar een paar uur sluipen we terug en komen gelukkig niemand tegen. Maar we zijn onze hut toch niet kwijt? Die rotvent maakt ons het leven zuur! We voelen ons machteloos en we kunnen niet bij de politie klagen, want dan lopen we de kans de hut kwijt te raken. Die hut is ons fort: geen controle, geen bemoeienis, absolute vrijheid.

We spreken af aan het einde van onze straat. We zijn alle acht bang voor de Duitser, maar we houden ons stoer. We zeggen dat we schijt hebben aan hem en aan het gevaar! Het geeft bovendien een enorme kick, iedere keer als het ons lukt om hem te slim af te zijn.

Als we bij de fabriek aankomen, zijn de deuren gesloten. De deuren hebben stalen punten, maar we klimmen er toch overheen. Geen Duitser te zien. Op ons gemak lopen we naar de hut en maken grapjes over die angsthaas. Hij mag de wacht houden.

“Rennen,” roept iemand, “de Duitser is er weer!”

Hij komt zwaaiend met een groot mes in zijn handen op ons af. Woest is hij. We kunnen niet snel genoeg over de metalen deuren heen, dus rennen we de andere kant op. Daar komen we tot stilstand bij een lange schutting van hout. De Duitser rent nog steeds achter ons aan. De schutting over klimmen is de enige mogelijkheid. Achter de schutting liggen allemaal tuinen naast elkaar. Het kleintje moet eerst, die is nog kleiner dan ik. Wanhopig probeert hij het, maar het lukt hem niet. Henk geeft hem een zet over de schutting. Het eerste wat hij ziet zijn twee grommende honden met ontblote tanden en hij gilt “Stop, stop!” En weg is hij, naar de tuin ernaast.

Ik kijk achterom en zie dat de Duitser nu wel heel dichtbij is. We weten niet hoe snel we weg moeten komen. Zonder aarzeling neem ik een sprong. Klauterend kom ik over de schutting. Met een klap val ik boven op een stoeltje en breek bijna mijn nek. Dan gaat de deur van de tuin open en er komt een enorm grote man aan. Meteen herkennen we hem. Het is Aad: “Wat mot dat godver in de tuin hier!”

Maar hij ziet de paniek op onze gezichten. Hij loopt naar de schutting en ziet de Duitser aan de andere kant. We zijn gered. Aad is twee meter vijftien en onze redder in nood. Nog trillend van angst proberen we een glimp op te vangen van wat er gaat gebeuren. We zien de Duitser terugdeinzen zodra Aad over de schutting is geklommen naar zijn kant. De Duitser krijgt op zijn lazer, Aad gaat als een briesend paard tekeer.

Dan laat Aad ons via de gang de voordeur uit. Hij belooft ons een pak slaag als we nog eens over de schutting klimmen: “Voor hetzelfde geld breekt een van jullie je nek nog! Vooruit, de deur uit en niet meer terugkomen.”

Als we allemaal weer op de haven staan, laten we elkaar onze schaafwonden en bloeduitstortingen zien van de klimpartij. We maken er grapjes over en spreken af dat we ons echt niet gewonnen geven!

Jaren later ben ik zestien. Ik loop langs de haven met de stalen deuren bij de fabriek en denk aan de hut. Ineens staat de Duitser voor me, ik schrik van hem. Meteen herstel ik me en vraag: “Kent u me nog?”

Hij kijkt me aan en zwijgt.

“Ik ben een van die ventjes die u zo vaak achterna zat.”

Hij mompelt wat, ik versta hem niet. “U heeft ons het leven zuur gemaakt, weet u dat!”

Maar het is een oude man geworden, besef ik. Ik wens hem een prettig leven.

Soms kom ik nog wel eens een oude vriend tegen. Het duurt nooit lang of het gaat over de hut. De Duitser komt altijd ter sprake en Aad die ons toen gered heeft. Dat mes gebruikte die Duitser trouwens om dieren mee uit te benen. Dat hoorde ik via de vader van een vriend. Op de voordeur van het huis van de Duitser hing namelijk een koperen plaat. Daarop stond ‘Taxidermie’, dat is het opzetten van dieren. Wij hadden geen benul.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.