De kunst van het vliegen als je droomt

de kunst van het vliegenJoris en ik zijn goede vrienden geworden. Dat is fijn, want voor de rest heb ik niemand. Ook mijn broers niet; Cor is vijf jaar ouder dan ik en Henk is bijna twee jaar ouder. Zij vinden mij de laatste tijd te klein, dus mag ik haast nooit mee. Gelukkig kan ik nu met Joris praten.

‘Ik moet ineens denken wat mijn oudste broer me vertelde’, zeg ik tegen Joris. Dan bedenk ik me. Misschien vindt Joris mij wel heel raar. ‘Maar hoe denk jij eigenlijk over dromen?’

Hij geeft geen antwoord maar kijkt me vragend aan en zegt: ‘Wat vind je zelf?’

Ik antwoord niet en ga verder over mijn broer. Hij vertelde eens iets over dromen, maar ik geloofde er niets van.

‘Waarom niet?’ vraagt Joris.

‘Omdat het fantasie is en niets anders. Je kan toch niet dromen wat je maar wil.’

‘Heb je het al geprobeerd?’ vraagt hij.

‘Ja, één keer. Maar het lukte me niet hoor, ik droomde gewoon over wat anders.’

‘Wat heeft je broer je precies verteld?’ vraagt hij. Ik voel zijn ogen nieuwsgierig in mij prikken.

‘Eerst gaat het erom dat je er achter moet komen dat je droomt, zei hij. Maar dat lukt toch nooit…’

‘Niet alles gaat gelijk goed’, zegt Joris rustig. ‘Ik denk dat je heel veel kan doen in je dromen, maar dat moet je oefenen en volhouden. En rustig blijven, dat is ook belangrijk. Dat wil zeggen dat je het niet kan afdwingen. Probeer er dus eerst achter te komen dat je droomt. Probeer iets wat in het echt niet kan, maar doe geen gevaarlijke dingen. Op je handen lopen, heel hoog springen of ver springen om maar wat te noemen.’

‘Hoe weet jij dat allemaal zo goed? Kan jij het ook?’ vraag ik.

Hij glimlacht naar me en knikt: ‘Probeer het maar.’

Als ik in mijn bed lig denk ik er nog eens over na. Ik kan niet eens mijn dromen onthouden. Maar ik ga het toch proberen. Na twee weken lukt het me nog steeds niet, maar ik kan wel mijn dromen beter onthouden. Als ik weer eens in mijn bed lig, ben ik het zat om steeds maar weer te proberen. Ik denk: ik stop er mee, het lukt me toch niet. Zo val ik in slaap, maar dan gebeurt er iets vreemds. Ik weet dat ik in mijn bed lig, maar kan mijn ogen niet open doen. Even raak ik in paniek. Maar ik weet mezelf tot rust te brengen. Dan gaan mijn ogen open, eindelijk gelukt! Nu rustig blijven. Ik probeer mijn handen op te tillen, maar dat gaat niet. Nu weet ik zeker dat ik droom.

Hoe los ik dat op? Dan probeer ik mijn vingers te bewegen. Dat lukt wel, maar verder kom ik niet. Als ik nu met mijn vinger ga fladderen, wat gaat er dan gebeuren? Dan ga ik langzaam omhoog! Ik zie het plafond steeds dichter en dichterbij komen. Er gaat een stroom van geluk door me heen. Mijn hele lichaam tintelt tot in mijn tenen.

Als ik vlakbij het plafond ben vraag ik me af: Hoe kom je nu weer naar beneden? Dan moet ik maar langzaam naar beneden toe bewegen met mijn vingers,  andersom dus. Ik zak weer naar beneden! Het is nog lekkerder dan op de schommel. En ik kan het zelf doen!

Dan word ik jammer genoeg wakker. Maar ik grijns, dat het me na drie weken

eindelijk is gelukt. Als ik Joris zie vertel ik hem dat het me is gelukt. Joris geef me nog een goede tip: ga veel zwemmen, dan zweef je ook.  Dan voel je daarna in je droom nog meer dat je vliegt.

Het is een paar weken later en gaat het steeds beter. Ik kan nu goed vliegen. Ik doe het vaak met een toverstaf. Als je eraan denkt, heb je hem ook ineens in je droom. Ik haal hem uit mijn zak of zo. Dan hoef ik nergens aan te denken en dan kan ik zo vliegen zonder te fladderen. Als ik een stripboek lees van Superman, vlieg ik ook zo door de lucht met één arm gestrekt voor me uit. Ik krijg mijn dromen steeds beter onder controle. Heerlijk gewoon. Ik voel steeds meer.

Tussen de vliegdromen heb ik ook nachtmerries. Ik word altijd achterna gezeten door een heel grote kerel. Niet de Duitser; nog veel enger. Het rotte is: als hij achter me aankomt wordt alles trager, dus ik ook. Dan lijkt het wel of ik niet verder kom. Ik ga langzaam en hij blijft snel gaan. Maar net voordat hij me pakt, vlieg ik toch nog weg. Ik denk dat dat symbool staat voor mijn angsten die ik wegstop en niet wil zien. Dan word ik steeds badend in het zweet wakker.

Op een gegeven moment word ik zo moe van het vluchten, dat ik zeg: ‘Je komt me maar halen.’ Ik draai me om en blijf staan. Dan voel ik mijn maag samentrekken en zeg ik: ‘Ik ben niet meer bang van je, ik ga niet meer vluchten.’ Dan ontstaat er een patstelling: hij doet niets en ik ook niet. Ik probeer te kijken naar zijn gezicht, maar ik alleen een heel wazig beeld. Dan word ik wakker.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.