Boterham bakken

Er is veel criminaliteit in de buurt. Dat zie je niet, maar er bestaan wel wilde verhalen over. Alle huizen zijn meer dan honderd jaar oud. Vervallen en tochtig, met kleine ramen. Er wonen meerdere grote gezinnen in met weinig geld en haast geen opleiding. De ruziezoekers in de buurt zijn vaak asociaal en soms alcoholist. Het staat hier bekend als de konijnenbuurt: er worden veel kinderen geboren. Die kinderen zijn altijd op straat, er is genoeg te doen. Ik ben één van die kinderen. Het is eind jaren vijftig en dit is de wijk waar ik woon.

Ik woon er samen met mijn vader en mijn hardwerkende moeder die altijd boven de wastobbe staat en als schoonmaakster extra geld bijverdient. Cor is mijn oudste broer, dan volgt Henk en ik ben de jongste jongen. Ik heb twee jongere zusjes: Lenie en Bertha. Later zullen er nog drie kleintjes volgen.

Mijn vader is meestal niet thuis en als hij thuis is, heeft hij gezopen. Hij komt vaak heel laat thuis, dus dan komt hij de volgende dag ook laat uit bed. Zes kinderen zijn dan niet genoeg reden om hem zijn baan te laten houden. Mijn vader werkt soms als dakdekker, of hij maakt bouwketen. Al het geld dat hij verdient, als hij tenminste werk heeft, gaat op vrijdag direct naar de kroeg. De kroeg is zijn vaste baan. Iedereen zegt dat ik precies word als hij. We dragen dezelfde naam: Koos Vervoort.

Hij slaapt altijd met een fles sirooplimonade met koolzuur, om zijn nadorst te lessen, want van alcohol droog je uit. Als hij geen geld meer heeft, is hij niet te genieten.

Als ma de kinderbijslag krijgt betaalt ze haar rekeningen, voordat mijn vader de kans krijgt om het op te maken. Kleding hebben we haast niet en mijn broers leren me de gaten in mijn schoenen op te vullen met karton. En ik heb een hongerbuik.

Vaak staat de politie in de wijk. Ook weleens bij ons. Dan nemen ze mijn vader mee en komt hij de andere dag pas thuis. Hij wil dan wel verhaal halen, maar ma zegt altijd heel slim dat zij niet gebeld heeft: “Het waren de buren.” Dan bindt hij in.

Bij de deur hangt een trekbel, als je daar een ruk aan geeft, is het een herrie van jewelste. Heerlijk vind ik het, dat doet me aan de ijsboer denken. Achter de deur is een gang. Het is de enige plek waar ik niets voel en waar niemand naar me kijkt. Dan kom je in een kleine woonkamer. Meteen rechts is een donkere ruimte. Daar heeft een bedstee gestaan, maar het is nu een kast. Dat komt omdat niemand zich daar veilig voelde. Je hoorde er vreemde geluiden zoals voetstappen op de trap of kloppen op de deur van de bedstee, maar als je ging kijken was er niets te zien.

Links is een voorkamertje met een opklapbed. Daar slapen mijn vader en moeder. Ernaast staat een ledikantje, daar slaapt nu mijn zusje.

Met ma aan tafel bespreken we alles en iedereen. Als we tenminste een tafel hebben. Er is nog een kast, die heeft mijn vader in gebruik. Alleen hij heeft een sleutel van die kast en waag het niet om ernaar op zoek te gaan, zelfs ma niet. Je hoeft maar te kijken en hij ontploft van woede. Natuurlijk lachen we hem dan uit en ook al wil hij het niet toegeven, dan komt er toch een kleine glimlach op zijn gezicht.

Een deur verder is een heel steile trap. Het is er pikdonker, maar een paar treden hoger komt er licht van een dakraam binnen. Het spookt er, je nekharen gaan er gewoon van overeind staan. Naar beneden glijden we daarom altijd zo snel mogelijk over de trapleuning. Maar ma zegt: “Jullie stikken van de fantasie.”

Nog een deur door en je bent op de zolderkamer. Het ruikt naar oud huis en het is er heel heet en benauwd of heel koud met ijsbloemen op de ramen. Daar slaap ik met mijn broers.

Het is nog vroeg als ik wakker word. Geen geluid, behalve de vogels. Wie zou er al wakker zijn? We slapen inmiddels met zijn vijven op de zolder, maar Henks is bed leeg. Ik vind hem in de keuken.

“Wat ben jij aan het doen?”

“Er is weer alleen oud brood. Wil je leren hoe je een boterham moet bakken? Jij kan niet bij het gas komen, je bent nog zo klein.” Henk pakt een stoel en zet hem bij het gasstel. “Nu kan je er wel bij, kom maar, dan doe ik het voor.”

Het water loopt me in de mond. Maar dan verandert zijn gezicht, hij kijkt serieus. “Nee, weet je wat, ik doe het wel voor jou.”

“Nee! Ik wil het zelf doen!” roep ik verontwaardigd.

Ik pak de pan, maar Henk duwt me weg, waardoor ik mijn evenwicht verlies. We vallen schuin opzij. De koekenpan vol met vet valt bovenop onze billen en bovenbenen. Ik sta snel op en ren naar ma die nog ligt te slapen.

Henk komt achter me aan gerend: “Niets tegen ma zeggen hoor, ik voel er niets van.”

Ik kijk naar mijn been voel ook niets, maar dan draai ik me om en probeer naar mijn bil te kijken. Ik schrik me rot: ik zie een levensgrote blaar van mijn bil naar mijn bovenbeen. “Bekijk het maar, ik maak ma echt wakker!”

Als ma ziet wat er is gebeurd, springt ze uit bed.

“Henk is ook verbrand,” roep ik.

Ma is sneller dan het geluid en voor we het weten liggen we in het ziekenhuis. Henk voelt zich verraden, hij scheldt me uit en wil me in elkaar slaan als we het ziekenhuis uitkomen.

We liggen al anderhalve week in het ziekenhuis, als de dokter binnenkomt terwijl Henk me weer een vervloekt.

“Ben je nou helemaal gek geworden!” roept de dokter, “Weet je wel hoe je er nu uit had gezien als hij niets had gezegd!”

De volgende dag neemt hij ons mee. “We gaan naar een meisje dat voor de rest van haar leven verminkt is,” zegt hij onderweg.

In de gang doet Henk nog stoer. Als we bijna bij haar kamer zijn roept Henk ineens: “Nee doe maar niet, ik wil niet.”

De volgende ochtend maakt hij me wakker: “Heb je niets gemerkt vannacht? Er is een jongen binnengebracht, ook door vet verbrand. Hij gilde de hele boel bij elkaar, ik werd er gewoon bang van. Ik kan het niet uit mijn hoofd krijgen. De zusters renden door de gang. Nu ben ik toch wel blij dat jij het hebt gezegd.”

Als we na twee weken ziekenhuis weer thuiskomen, horen we van ma hoe de hele familie zich rot is geschrokken. Ik ga naar opa en vertel het hele verhaal.

“Ik ga je leren hoe je moet koken zonder ongelukken,” belooft hij en zet me ook op een stoel, maar dit is een heel stevige. De eerste week mag ik alleen maar kijken terwijl opa bakt. Na een week mag ik het pas zelf proberen. Opa kijkt als een havik toe.

Opa is de vader van mijn vader en hij woont met oma aan het einde van de straat. Het is een vriendelijke man met grote oorlellen, een grote neus en een grote kale plek boven op zijn hoofd. Zijn buik is zo groot dat mijn armen nog niet eens tot de helft ervan komen.

Elke zaterdagmorgen ga ik naar hen toe, zo vroeg mogelijk. Ik kijk eerst door de brievenbus om te zien of opa al wakker is. Ik kom er graag omdat het gezellig is en ik er kinderkoffie krijg: veel melk met een beetje koffie en een krakeling of een boterkoekje. We kunnen uren met elkaar kletsen, ik voel me veilig bij opa met zijn dikke buik en bretels.

Wat ik ook zeg, hij vertelt het aan niemand door. Vaak krijg ik mijn koffie in de keuken, waar de zon op de keukentafel schijnt en je het silhouet van je schaduw ziet. Ik geniet ervan als ik met hem alleen ben. Hij spreekt me nooit tegen en valt me niet zo maar in de rede.

Ik vraag hem waar de wolken vandaan komen. Hij wijst naar de fluitketel en zegt: “Als het water gaat koken verdampt het. Dan zie je stoom uit de ketel komen. Dat gaat dan naar buiten hoog de lucht in en dat wordt een wolk.”

En zo vertelt hij van alles en nog wat, maar op een gegeven moment snap ik het niet meer. “Stop maar opa!”

“Ach maak je er maar niet druk over, jongen,” zegt hij dan. “Over een poosje snap je het wel. Je bent gewoon nog te klein. Kom, dan geef ik je een dubbeltje. Dan kan je wat lekkers kopen.”

8 gedachten over “Boterham bakken”

  1. Dit verhaal heb ik vaker gehoord, als we thuis over vroeger gingen praten, mooi dat je dit weer heb opgeschreven.
    Vond het altijd fijn en nu kan ik het steeds opnieuw lezen 😉

    Bedankt voor het geweldige schrijven wat je doet xxx

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.