Avonturen in de nacht

Cor Henk en Koos met een ijsje bij moeder
Cor Henk en ik met een ijsje bij moeder

 

Bij de voordeur hangt een trekbel, als je daar een ruk aan geeft is het een herrie van jewelste. Heerlijk vind ik het, dat doet me aan de ijsboer denken. Vaak krijgen we geen ijsje omdat er geen geld is, maar als je er dan een krijgt is het een groot feest.

Zodra je de deur door gaat kom je in een gang terecht  van vier meter lang. Het is de enige plek waar ik niets voel. Ik krijg er niet het gevoel of iemand naar me kijkt of dat er iets is wat ik niet kan zien. Dan kom je in een kleine woonkamer. Meteen rechts zie je een donkere ruimte, daar heeft een oude bedstee gestaan, maar die ruimte is nu een soort kast. In plaats van deuren hangt er een gordijn  voor en daar achter liggen kleren. Hoe is dat zo gekomen, dat het geen bed meer is? Niemand voelde zich daar veilig als ze er lagen te slapen. Ze hoorden vreemde geluiden, zoals voetstappen op de trap. Of kloppen op de deur van de bedstee. Maar als ze gingen kijken was er niets te zien. Daarom hebben ze er maar een kast van gemaakt om er kleding voor ons te bewaren.

Als je links kijkt dan zie je nog een voorkamertje, daar staat een opklapbed. Het ziet er als een kast maar dan met een bed er in. Daar slapen mijn vader en moeder. Er staat ook nog een ledikantje, daar slaap mijn zusje. Dat is de plek waar ik niet lang geleden zelf heb geslapen. Een stukje verder is nog een kast die heeft mijn vader in gebruik. Alleen hij heeft een sleutel van die kast en waag het niet om er naar op zoek te gaan, want dan zwaait er wat. Het enige wat er ligt is oud gereedschap, blikken verf en nog meer van die waardeloze dingen. Niemand mag er inkomen, daar staat een zware straf op en dat laat hij ook duidelijk merken. Zelfs mijn moeder niet, ook dan ontploft hij bijna van woede. Natuurlijk lachen we hem uit als hij dat doet. Ook al wil hij het niet toegeven, er komt toch een kleine glimlach op zijn gezicht.

Na het voorkamertje krijg je meteen een deur met een hele steile trap. Het is er pikdonker. De rillingen  lopen je over het lijf,  je nekharen gaan er gewoon van overeind staan. Alleen als je een paar treden verder bent, komt er licht van een dakraam binnenvallen. Dan ga je een deur door en ben je op de zolderkamer. Het is er heel heet en benauwd of juist heel koud en dan staan de ijsbloemen op de ramen. Daar slapen wij. Er hangt een klein bolletje licht aan het plafond. Het ruikt er naar een oud huis: een vreemde, beetje muffe lucht.

Als wij tegen mijn moeder zeggen dat wij vinden dat het spookt doet ze het af met: ‘Jullie stikken van de fantasie.’ Dan gaat ze weer gewoon verder met haar werk.

De hele buurt roddelt over ons en het huis waar we in wonen. Er zijn maar weinig mensen die bij ons binnen komen. Ze denken dat het er spookt. Op een dag is het mooi weer en ik loop met een vriend op straat. Ik vraag of hij bij ons wil logeren. ‘Dat moet ik even aan mijn moeder vragen.’

Maar als hij weer terugkomt zegt hij ‘Nee het kan niet. Ik moet heel vroeg op, want ik ga naar mijn tante in Tilburg.’

‘Jammer’, zeg ik, ‘volgende keer beter.’nacht

Thuis zeg ik het tegen mijn moeder.

‘Ach laat toch gaan joh, dat komt heus nog wel een keer.’ antwoordt ze.

‘s Avonds in mijn bed lig ik er nog over te denken en val dan in slaap. Plots word ik wakker, midden in de nacht. Het is pikdonker en iedereen slaapt. Maar toch is er iemand in het halletje. Ik zie hem niet maar ik voel hem en ik hoor hem ook. Ik zit rechtop in bed: ‘Wat nu? We gaan er straks allemaal aan! Als ik niets doe worden we zeker vermoord!’

Maar als ik zou roepen dat er iemand staat en ik heb het toch fout, lachen ze me allemaal uit. Waarom twijfel ik aan wat ik hoor en voel? Dan weet ik ineens wat ik moet doen. Ik nies keihard. Maar niemand wordt wakker. Ik nies nog een keer en nog een keer. Ik raak steeds meer in paniek. Dan roept mijn oudste broer eindelijk: ‘Gaat het, moet ik even het licht voor je aan doen?’

‘Ja’, zeg ik. Dan gaat het licht aan en er is niemand meer.

Nog even ben ik bang als het licht uitgaat, maar gelukkig voel ik niemand meer. Het spook is weg.

Een andere nacht word ik bevend van de kou  wakker op het zolderkamertje. Iedereen ligt nog  te slapen. Ik voel me niet lekker. Dan is er maar één oplossing en dat is naar beneden. Zachtjes, zodat mijn broers niet wakker worden. Duizelig ga ik de trap af, door de gang de huiskamer in. Daar staat een grote zwarte kolenkachel. Gelukkig staat die aan. Bibberend loop ik naar de kachel en voel de warmte, heerlijk. Het snot loop mijn neus nu uit, maar ik weet dat dat niet lang meer zal duren. Heerlijk die hitte, net wat ik nodig heb. Als ik een beetje warmer ben geworden besluit ik om vóór de kachel te gaan zitten om in de vlammen te kijken naar al die verschillende kleuren. Ik kruip steeds dichter bij tot ik er nog maar een paar centimeter er vandaan zit. Langzaam raak ik in trance van de dansende vlammen.

Plots word ik uit mijn dromen  gehaald. Het is mijn moeder, ze zegt: ‘Wat doe je hier? Ga naar bed!’

Dan kijkt ze nog eens goed.

‘Ben je niet lekker?’ vraagt ze.

‘Nee, ik voel me rot.’

Mijn oudste broer komt binnen. Hij ziet me zitten en raakt me aan.

‘Au!’ Hij  verbrandt zijn handen bijna,  zo heet ben ik.

Mijn moeder is inmiddels de was aan het doen en zegt: ‘Laat hem maar even hij is niet lekker.’

Dan moet ik niezen en ze maakt mijn gezicht schoon met een washandje.

‘Nu is het wel genoeg geweest’, zegt ze. ‘Hop naar boven.’

De volgende dag heb ik nergens meer last van. Maar verder is iedereen  ziek, zelfs mijn vader.

 

Een paar nachten later word ik weer wakker. Iedereen slaapt en snurkt. Het is een heldere nacht en ik denk dat het gesneeuwd heeft. Alles voelt zo anders aan en het is erg koud. Ik ga zachtjes mijn bed uit en loop naar het zolderraam. Het eerste wat ik zie zijn ijsbloemen, ze zijn prachtig! Het lijkt wel of iemand ze gemaakt heeft. Ik raak ze voorzichtig aan, het voelt koud en ik zie hoe ze door de warmte van mijn vinger smelten. Dan wrijf ik met mijn beide handen over het bevroren raam. Nu kan ik naar buiten kijken. Alles is wit: er is een flink pak sneeuw gevallen. Ik besluit om stiekem naar buiten te gaan. Als ik maar niet word betrapt, want dan krijg ik op m’n donder! Ik sluip de trap af en wacht even om aan het donker te wennen. Zachtjes ga ik verder naar beneden. Niemand heeft me nog in de gaten. Ik sluip de woonkamer binnen en hoor mijn vader hard snurken. Langzaam loop ik naar de grote klerenkast die we met z’n vieren delen. Ik zoek  wat kleren bij elkaar en sluip naar buiten, de plaats op waar de slee in de schuur staat.

O wat lekker, niemand te zien. Het is  doodstil  het begint langzaam weer te sneeuwen. Sommige vlokken komen op mijn gezicht. Op naar de dijk, er is niemand. Wel een beetje eng, omdat het nog donker is. Hoera, ik ben de allereerste! Vrijheid, om hier alleen te zijn op dit tijdstip. Hop daar ga ik, wat ga ik hard! Ik voel de spanning in mijn buik naar mijn tenen trekken. Door de verse sneeuw glij ik naar beneden waar het nog donkerder is. Ik mag zeker niet te ver doorsleeën anders kom ik in de sloot terecht en het ijs is niet sterk. Ik rem met mijn voeten net voor de sloot. Het is een hele klim naar boven, stijl  en glad. Het lukt me steeds weer en ik glij naar beneden, keer op keer. Uren achter elkaar, totdat de eerste kinderen komen en het licht wordt. Dan houd ik het voor gezien en ga naar huis. Als ik thuis kom is mijn moeder al druk in de weer met de kleintjes. Ze vraagt waar ik vandaan komt en ik zeg stoer: ‘Ik ben buiten geweest.’ Ik kom er nog mee weg ook.

 

 

Een gedachte over “Avonturen in de nacht”

  1. Heel goed geschreven Koos. Ik voelde me gewoon weer even in dat huis. Ik weet nog goed van die donkere nis, want op die gordijnen zat soms een hele grote zwarte spin en daar ging ik echt voor op de loop. Het leek wel of hij steeds terugkwam. En ook proefde ik weer even de koffie van je moeder. Lekker sterk met heel veel melk en suiker. Maar toch hebben we er ook wel plezier gehad! En toch had ik de indruk dat je gelijk had en het spookte er echt wel! Groetjes en een knuffel van Sjany

Reacties zijn gesloten.