Vroeg op

Elke dag sta ik om 5 uur op, omdat er dan nog een kans is dat ik een boterham in de trommel vind. Als ik in de keuken kom, staat Henk er al. Hij wijst naar de bovenste plank van de kast en doet een voorstel:

“Als jij bukt, ga ik op je staan en kijk in de broodtrommel.”

Zijn gewicht duwt mijn hoofd tussen mijn schouders. Het doet goed pijn.

“Verdomme, er zit niets in, alle moeite voor niets. Weer zonder eten naar school.” Henk zit op de grote school bij de onze oudste broer Cor.

Soms maken wij ma wakker vanwege de honger. Het gebeurt zelfs dat we een paar dagen geen eten hebben. Dan is het heel zwaar om op school te zijn. Iedereen in de klas heeft schoolmelk en fruit bij zich. Wij hebben nooit fruit, wij zijn al blij als er avondeten is.

Na een paar dagen staat Henk weer op mijn kop en kijkt in de broodtrommel. Mijn hoofd doet zo’n zeer dat ik naar voren knik, daardoor verlies Henk zijn evenwicht en dondert met inhoud van de kast op de grond. Op dat moment komt mijn moeder langs:

“Stelletje gekken, er zit geen brood in. Je vader heeft weer alles verzopen in de kroeg.“ Ik zie aan haar gezicht dat ze zich schaamt.

Eenmaal op school achterin de klas, zie ik op een tafeltje een appel liggen. Hij is van een jongen die altijd fruit bij zich heeft. Het is een mooie rode appel. Ik moet er van slikken. Snel kijk ik de andere kant op. Alles in mij wil die appel pakken omdat ik zo’n honger heb. Maar ik weet zeker dat ik dan echt in de problemen kom. Het enige wat ik nog kan doen is met mijn hoofd onder mijn tafel te gaan zitten en wachten tot hij op is. Dit komt vaak voor.

Er is schoolmelk over. Ik ben de enige zonder, dus krijg ik de overgebleven schoolmelk. Het is heerlijk het stilt de honger een beetje. Als er weer melk over is, steken ineens twee andere kinderen ook hun hand op. Er wordt geloot en ik verlies. Dan zie ik dat de jongen die de melk won het niet opdrinkt.  “Zo nu heeft hij het lekker niet. Ik heb een hekel aan bedellaars”, hij  geeft de melk aan zijn vriend en kijkt lachend mijn kant op. Niemand zegt er wat van, ook de juf niet. Nooit zal ik nog een keer mijn hand opsteken.

Als het pauze is en ik buiten ben, krijg ik een klap. Ik voel iets warms over mijn lippen lopen. Ik steek mijn tong uit en proef. Het smaak naar ijzer. Ik haal mijn hand langs mijn mond en kijk. Bloed. Maar voor ik wat kan doen, zie ik de gozer die mij sloeg op de grond liggen. Het is mijn broer Henk die hem te grazen neemt. Nu heeft die gozer ook een bloedneus. Er komt ook voor hem hulp die Henk weer wil pakken. Maar dan zie ik wat wits. Het is Cor die hem door de hele straat heen schopt. Uiteindelijk komt er een kale vent naar buiten gestormd. Wij Vervoortbroers moeten alle drie een hele week nablijven. De anderen niet. Als we die middag in het lokaal zitten zegt de juf opeens dat ik naar huis mag. Ik kijk naar mijn broers die nog niet weg mogen.

“Zeg het tegen ma”, roept Henk.

Ik knik ja en ren naar beneden zo snel als ik kan, voor dat er iemand het idee krijgt om mij terug te roepen. Onder weg kom ik mijn moeder al tegen. Ik vertel haar wat er allemaal is gebeurd. Ze zegt dat ik snel naar huis moet en daar blijven wachten. Na een uur komen ze allemaal binnen. Henk komt naar me toe en zegt:

“Je had erbij moeten zijn, ma die ging te keer tegen die ouwe meester. Hij scheet zeven kleuren stront.”

“Ja, monden dicht. Aan tafel en eten.”

Binnen een flits zitten wij aan tafel te eten. De kinderbijslag is binnen. Ik weet niet wat het is, maar dan hebben wij eindelijk eten. Naar een paar weken is het weer hetzelfde. Maar ik vraag nooit meer om schoolmelk of wat dan ook.

Er is een jongen in de klas bij gekomen. Ook hij heeft het zwaar. Hij is veel brutaler dan ik. Toch word ook hij zwaar te grazen genomen. Hij is niet zo onzeker als ik, maar verliest het toch omdat hij met de meesten van de klas ruzie krijgt. De juf probeert hem wel te helpen, al dat lukt haar niet.

Na een jaar krijgen wij allemaal een rapport. Ik moet blijven zitten, want ik ben niet goed genoeg.

Het leren wil maar niet lukken, ik snap er niets van. De juf wil me ook niet meer helpen, verbannen ben ik al. Ik zit achter in de klas bij het fonteintje, zo goed als in de hoek. Ik ga mezelf steeds dommer te voelen. Dan leer ik van mijn broers wat spijbelen is. Als ik spijbel zet ik mijn gedachten op een rijtje en voel ik me zo vrij als een vogel. Dit is echt voor mij. Ik kom er wel achter dat ik een grote familie heb. Af en toe krijg ik er flink van langs als ik thuiskom. Ik moet er wat op verzinnen, zodat ik niet gezien word. Het park biedt oplossing. Wie gaat er nu naar het park op een doordeweekse dag. Er is maar één ding goed aan blijven zitten: ik heb geen last meer van die jongen met die appel. Er zit nu een meisje voor me. Ze heet Silvia en ze is best wel aardig.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.